
_ schrijven 800 BC.
_ ver*talen door Samuel Butler
_ | _ boek II _ | _ Homerus _ | _ boek IV _ |
_ wanneer de bedrijf zo op:stellen, elk onder zijn eigen kapitein, de Trojans vooruit:gaan als een vlucht van wild kip of kraan dat gillen boven wanneer regen en winter drijven hen over de stromen water van Oceanus te brengen dood en vernietiging op de pygmee, en zij ruzie maken in de lucht aangezien zij vliegen; _ maar de Achaeans marcheren stil, in hoog hart, en letten te be*vinden door elkaar.
_ zoals wanneer de zuiden wind uit:spreiden een gordijn van mist op de berg bovenkant, slecht voor herder maar beter dan nacht voor dief, en een mens kunnen zien geen verder dan hij kunnen werpen een steen, maar toch toe:nemen de stof van onder hun voet aangezien zij maken alle snelheid over de vlakte.
_ wanneer zij dicht omhoog met elkaar, Alexandrus komen vooruit als kampioen op de Trojan kant. _ op zijn schouder hij dragen de huid van een panther, zijn boog, en zijn zwaard, en hij brandished twee spears schoeien met brons als een uitdaging aan de moedig van de Achaeans te ontmoeten hem in enig strijd. _ Menelaus zien hem zo pas uit vóór de rang, en blij als een hongerig leeuw dat licht op de karkas van sommige geit of gehoornd mannetje, en verslinden het daar en toen, hoewel hond en jeugd plaatsen op hem. _ zelfs zo Menelaus blij wanneer zijn oog vangen gezicht van Alexandrus, want hij achten dat nu hij moeten wreken. _ hij op:springen, daarom, van zijn blokkenwagen, bekleed in zijn kostuum van pantser.
_ Alexandrus quailed aangezien hij zien Menelaus komen vooruit, en krimpen in vrees van zijn leven onder het mom van zijn mens. _ aangezien die beginnen terug affrighted, beven en ver*bleken, wanneer hij komen plotseling op een serpent in sommige berg glade, maar toch doen Alexandrus duik in de throng van Trojan strijder, verschrikking-getroffen bij de gezicht van de zoon Atreus.
_ dan Hector ver*wijten hem. _ „Parijs,“ zeggen hij, „kwaad-hearted Parijs, eerlijk te zien, maar vrouw-gek, en vals van tong, dat u hebben nooit geboren, of dat u hebben sterven unwed. _ beter zo, dan levend te te schande maken en kijken askance bij. _ niet de Achaeans be*spotten bij ons en zeggen dat wij hebben ver*zenden te verdedigen ons die eerlijk te zien maar die hebben noch verstand noch moed? _ u niet, zoals u, krijgen uw volgend samen en zeil voorbij de overzees? _ u niet van uw een ver land dragen van een mooi vrouw wedded onder een mensen van strijder te brengen verdriet op uw vader, uw stad, en uw geheel land, maar vreugde aan uw vijand, en hang-dog shamefacedness aan zich? _ en nu kunnen u niet durven onder ogen zien Menelaus en leren welk manier van mens hij wiens vrouw u hebben stelen? _ waar inderdaad uw lyre en uw liefde-truc, uw aantrekkelijk slot en uw markt gunst, wanneer u liggen in de stof vóór hem? _ de Trojans een weak-kneed mensen, of ere dit u hebben hebben een overhemd van steen want de schaden u hebben doen hen.“
_ en Alexandrus antwoorden, „Hector, uw berisping enkel. _ u hard als de bijl dat een shipwright hanteren bij zijn werk, en splijten de hout aan zijn houden. _ als de bijl in zijn hand, zodat scherp de rand van uw minachting. _ nog, taunt me niet met de gift dat gouden Venus hebben geven me; _ zij kostbaar; _ laten niet een mens minachting hen, want de god geven hen waar zij letten, en niets kunnen hebben hen voor de vragen. _ als u hebben me doen slag met Menelaus, bieden de Trojans en Achaeans nemen hun zetel, terwijl hij en IK be*strijden in hun midden voor Helen en alle haar rijkdom. _ laten hem die victorious en be*wijzen te de beter mens nemen de vrouw en allen zij hebben, te dragen hen aan zijn huis, maar laten de rest zweren aan een plechtig overeenkomst van vrede waardoor u Trojans blijven hier in Troy, terwijl de andere gaan naar huis aan Argos en de land van de Achaeans.“
_ wanneer Hector horen dit hij blij, en gaan ongeveer onder de Trojan rang houden zijn spear door de midden te houden hen achter, en zij allen zitten neer bij zijn bieden: _ maar de Achaeans nog streven bij hem met steen en pijl, tot Agamemnon schreeuwen aan hen zeggen, „greep, Argives, spruit niet, zoon van de Achaeans; _ Hector wensen te spreken.“
_ zij op:houden nemen doel en nog, waarop Hector spreken. _ „horen van mijn mond,“ zeggen hij, „Trojans en Achaeans, de zeggen van Alexandrus, door die dit ruzie hebben komen ongeveer. _ hij bieden de Trojans en Achaeans leggen hun pantser op de grond, terwijl hij en Menelaus strijd in de midden van u voor Helen en alle haar rijkdom. _ laten hem die victorious en be*wijzen te de beter mens nemen de vrouw en allen zij hebben, te dragen hen aan zijn eigen huis, maar laten de rest zweren aan een plechtig overeenkomst van vrede.“
_ dus hij spreken, en zij allen houden hun vrede, tot Menelaus van de luid slag-schreeuw richten hen. _ „en nu,“ hij zeggen, „horen me ook, voor het I die am de het meest gegriefd. _ IK achten dat de scheiding van Achaeans en Trojans dichtbij, eveneens het kunnen, zien hoeveel hebben lijden voor mijn ruzie met Alexandrus en de verkeerd hij doen me. _ laten hem die sterven, sterven, en laten de andere strijd niet meer. _ brengen, dan, twee lam, een wit ram en een zwart ooi, voor aarde en zon, en wij brengen een derde voor Jove. _ bovendien, u bieden Priam komen, dat hij kunnen zweren aan de overeenkomst zelf; _ voor zijn zoon high-handed en ziek te ver*trouwen, en de eed van Jove moeten niet over*treden of nemen vergeefs. _ jong mens mening licht als lucht, maar wanneer een oud mens komen hij kijken vóór en na, achten dat dat eerlijk op beide kant.“
_ de Trojans en Achaeans blij wanneer zij horen dit, want zij denken dat zij moeten nu hebben rest. _ zij steunen hun blokkenwagen naar de rang, krijgen uit hen, en uit:stellen hun pantser, leggen het neer op de grond; _ en de gastheer dichtbij aan elkaar met wat ruimte tussen hen. _ Hector ver*zenden twee boodschapper aan de stad te brengen de lam en te bieden Priam komen, terwijl Agamemnon ver*tellen Talthybius te halen de ander lam van de schip, en hij doen aangezien Agamemnon hebben zeggen.
_ ondertussen iris gaan aan Helen in de vorm van haar schoonzuster, vrouw van de zoon van Antenor, voor Helicaon, zoon van Antenor, hebben huwen Laodice, de eerlijk van Priam dochter. _ zij vinden haar in haar eigen ruimte, werken bij een groot Web van purper linnen, op dat zij borduren de slag tussen Trojans en Achaeans, dat Mars hebben maken hen be*strijden voor haar belang. _ iris toen komen dicht tot haar en zeggen, „komen hither, kind, en zien de vreemd doings van de Trojans en Achaeans tot nu zij hebben oorlog voeren op de duidelijk, gek met verlangen van slag, maar nu zij hebben ver*laten van be*strijden, en leunen op hun schild, zitten nog met hun spears planten naast hen. _ Alexandrus en Menelaus gaan te be*strijden over zich, en u aan de de vrouw van hem die de victor.“
_ dus spreken de godin, en Helen hart yearned na haar eerstgenoemde echtgenoot, haar stad, en haar ouder. _ zij werpen een wit mantel over haar hoofd, en haastig van haar ruimte, huilen aangezien zij gaan, niet alleen, maar aanwezig door twee van haar handmaids, Aethrae, dochter van Pittheus, en Clymene. _ en meteen zij bij de Scaean poort.
_ de twee sages, Ucalegon en Antenor, oudsten van de mensen, zetten door de Scaean poort, met Priam, Panthous, Thymoetes, Lampus, Clytius, en Hiketaon van de ras van Mars. _ deze ook oud te be*strijden, maar zij vloeiend orators, en zitten op de toren als cicales dat chirrup tactvol van de boeg van sommige hoog boom in een hout. _ wanneer zij zien Helen komen naar de toren, zij zeggen zacht te elkaar, „klein wonder dat Trojans en Achaeans moeten ver*dragen zo veel en zo lang, omwille van een vrouw zo prachtig en divinely mooi. _ nog, markt hoewel zij, laten hen nemen haar en gaan, of zij kweken verdriet voor ons en voor ons kind na ons.“
_ maar Priam bieden haar trekken nigh. _ „mijn kind,“ zeggen hij, „nemen uw zetel voor me dat u kunnen zien uw eerstgenoemde echtgenoot, uw kinsmen en uw vriend. _ IK leggen geen schuld op u, het de god, niet u die te beschuldigen. _ het zij dat hebben brengen ongeveer dit vreselijk oorlog met de Achaeans. _ ver*tellen me, dan, die yonder reusachtig held zo groot en goodly? _ IK hebben zien mens lang door een hoofd, maar niets zo aantrekkelijk en zo koninklijk. _ zeker hij moeten een koning.“
_ „heer,“ antwoorden Helen, „vader van mijn echtgenoot, beste en reverend in mijn oog, dat IK hebben kiezen dood eerder dan te hebben komen hier met uw zoon, ver van mijn bruids kamer, mijn vriend, mijn darling dochter, en alle de metgezel van mijn girlhood. _ maar het niet te, en mijn partij één van scheur en verdriet. _ zoals voor uw vraag, de held van die u vragen Agamemnon, zoon van Atreus, een goed koning en een moedig militair, zwager zo zeker zoals dat hij leven, aan mijn abhorred en miserabel zelf.“
_ de oud mens verwonderen bij hem en zeggen, „gelukkig zoon van Atreus, kind van goed fortuin. _ IK zien dat de Achaeans onderworpen aan u in groot massa. _ wanneer IK in Phrygia IK zien veel horsemen, de mensen van Otreus en van Mygdon, die kamperen op de bank van de rivier Sangarius; _ IK hun bondgenoot, en met hen wanneer de Amazonië, edele van mens, komen omhoog tegen hen, maar zelfs zij niet zo velen als de Achaeans.“
_ de oud mens daarna kijken op Ulysses; _ „ver*tellen me,“ hij zeggen, „wie dat andere, kort door een hoofd dan Agamemnon, maar breed over de borst en schouder? _ zijn pantser leggen op de grond, en hij be*sluipen voor de rang aangezien het sommige groot wollig ram opdracht geven zijn ooi.“
_ en Helen antwoorden, „hij Ulysses, een mens van groot ambacht, zoon van Laertes. _ hij geboren in ruw Ithaca, en uit:blinken in alle manier van stratagems en subtiel sluwheid.“
_ op dit Antenor zeggen, „mevrouw, u hebben spreken echt. _ Ulysses eens komen hier als gezant over zich, en Menelaus met hem. _ IK ont*vangen hen in mijn eigen huis, en daarom kennen beiden door gezicht en gesprek. _ wanneer zij be*vinden omhoog in aanwezigheid van de assembleren Trojans, Menelaus de breed steunen, maar wanneer allebei zetten Ulysses hebben de meer koninklijk aanwezigheid. _ na een tijd zij leveren hun bericht, en de toespraak van Menelaus in werking stellen trippingly op de tong; _ hij niet zeggen veel, want hij een mens van weinig woord, maar hij spreken zeer duidelijk en aan de punt, hoewel hij de jong mens van de twee; _ Ulysses, enerzijds, wanneer hij toe:nemen te spreken, eerst stil en houden zijn oog be*vestigen op de grond. _ daar geen spel noch bevallig beweging van zijn sceptre; _ hij houden het recht en stijf als een mens unpractised in retorica kunnen hebben nemen hem voor een zuiver churl of simpleton; _ maar wanneer hij op:heffen zijn stem, en de woord komen drijven van zijn diep borst als winter sneeuw vóór de wind, dan daar niets te raken hem, en geen mens denken verder van wat hij kijken als.“
_ Priam toen vangen gezicht van Ajax en vragen, „Who dat groot en goodly strijder wiens hoofd en breed schouder toren boven de rest van de Argives?“
_ „dat,“ antwoorden Helen, „reusachtig Ajax, bolwerk van de Achaeans, en op de ander kant van hem, onder de Cretans, tribune Idomeneus kijken als een god, en met de kapitein van de Cretans om hem. _ vaak doen Menelaus ont*vangen hem als een gast in ons huis wanneer hij komen be*zoeken ons van Kreta. _ IK zien, bovendien, veel ander Achaeans wiens naam IK kunnen ver*tellen u, maar daar twee wie IK kunnen nergens vinden, bever, breker van paard, en Pollux de machtig boxer; _ zij kind van mijn moeder, en eigen broer aan mij. _ of zij hebben niet ver*laten Lacedaemon, of anders, hoewel zij hebben brengen hun schip, zij niet tonen zich in slag voor de schande en schande dat IK hebben brengen op hen.“
_ zij kennen niet dat beide deze held reeds liggen onder de aarde in hun eigen land van Lacedaemon.
_ ondertussen de aan:kondigen brengen de heilig eed-dienstenaanbod door de stad twee lam en een geitevel van wijn, de gift van aarde; _ en Idaeus brengen de mengen kom en de kop van goud. _ hij uit:gaan aan Priam en zeggen, „zoon van Laomedon, de prins van de Trojans en Achaeans bieden u komen neer op de vlakte en zweren aan een plechtig overeenkomst. _ Alexandrus en Menelaus te be*strijden voor Helen in enig gevecht, dat zij en alle haar rijkdom kunnen gaan met hem die de victor. _ wij te zweren aan een plechtig overeenkomst van vrede waardoor wij andere blijven stilstaan hier in Troy, terwijl de Achaeans terugkeer aan Argos en de land van de Achaeans.“
_ de oud mens beven aangezien hij horen, maar bieden zijn aanhanger in:spannen de paard, en zij maken alle haast te doen zo. _ hij op:zetten de blokkenwagen, verzamelen de teugel in zijn hand, en Antenor nemen zijn zetel naast hem; _ zij toen drijven door de Scaean poort op de vlakte. _ wanneer zij be*reiken de rang van de Trojans en Achaeans zij ver*laten de blokkenwagen, en met meten tempo vooruit:gaan in de ruimte tussen de gastheer.
_ Agamemnon en Ulysses beide toe:nemen te ontmoeten hen. _ de bediende brengen op de eed-dienstenaanbod en mengen de wijn in de mixing-kom; _ zij gieten water over de hand van de leider, en de zoon van Atreus trekken de dagger dat hangen door zijn zwaard, en snijden wol van de lam hoofd; _ dit de mens-bediende geven ongeveer onder de Trojan en Achaean prins, en de zoon van Atreus op:heffen omhoog van hem in:dienen gebed. _ „vader Jove,“ hij schreeuwen, „dat rulest in Ida, het meest glorious in macht, en thou oh zon, dat seest en givest oor aan alle ding, aarde en rivier, en ye die in de koninkrijk hieronder kastijden de ziel van hem dat hebben breken zijn eed, ge*tuigen deze rite en be*waken hen, dat zij niet verwaand. _ als Alexandrus doden Menelaus, laten hem houden Helen en alle haar rijkdom, terwijl wij varen naar huis met ons schip; _ maar als Menelaus doden Alexandrus, laten de Trojans geven achter Helen en dat alles zij hebben; _ laten hen bovendien be*talen dergelijk boete aan de Achaeans zoals akkoord gaan op, in verklaring onder die dat geboren hierna. _ hulp als Priam en zijn zoon weigeren dergelijk boete wanneer Alexandrus hebben vallen, dan IK blijven hier en be*strijden tot IK hebben tevredenheid.“
_ aangezien hij spreken hij trekken zijn mes over de keel van de slachtoffer, en leggen hen neer hijgen en sterven op de grond, voor de mes hebben reft hen van hun sterkte. _ dan zij gieten wijn van de mixing-kom in de kop, en bidden aan de eeuwig god, zeggen, Trojans en Achaeans onder elkaar, „Jove, het meest groot en glorious, en ye ander eeuwig god, toelage dat de hersenen van hen die eerst zonde tegen hun eed van hen en hun kind kunnen af:werpen op de grond zelfs als dit wijn, en laten hun vrouw worden de slaaf van vreemdeling.“
_ dus zij bidden, maar niet tot hiertoe Jove ver*lenen hen hun gebed. _ dan Priam, nakomeling van Dardanus, spreken, zeggen, „horen me, Trojans en Achaeans, IK nu terug:gaan aan de wind-slaan stad van Ilius: _ IK durven niet met mijn eigen oog getuige dit strijd tussen mijn zoon en Menelaus, voor Jove en de ander immortals alleen kennen welke vallen.“
_ op dit hij leggen de twee lam op zijn blokkenwagen en nemen zijn zetel. _ hij verzamelen de teugel in zijn hand, en Antenor zitten naast hem; _ de twee toen terug:gaan aan Ilius. _ Hector en Ulysses meten de grond, en gieten partij van een helm van brons te zien welke moeten nemen doel eerst. _ ondertussen de twee gastheer op:heffen omhoog hun hand en bidden zeggen, „vader Jove, dat rulest van Ida, het meest glorious in macht, toelage dat hij die eerst brengen ongeveer dit oorlog tussen ons kunnen sterven, en binnen:gaan de huis van Hades, terwijl wij andere blijven bij vrede en ver*blijven door ons eed.“
_ groot Hector nu draaien zijn hoofd opzij terwijl hij schudden de helm, en de partij van Parijs vliegen uit eerst. _ de andere nemen hun verscheidene post, elk door zijn paard en de plaats waar zijn wapen liggen, terwijl Alexandrus, echtgenoot van mooi Helen, zetten op zijn goodly pantser. _ eerst hij greaved zijn been met kaantje van goed maken en passen met ancle-greep van zilver; _ na dit hij aan:trekken de cuirass van zijn broer Lycaon, en passen het aan zijn eigen lichaam; _ hij hangen zijn zilveren-be*slaan zwaard van brons over zijn schouder, en toen zijn machtig schild. _ op zijn aantrekkelijk hoofd hij plaatsen zijn helm, goed-vervaardigd, met een kam van paardehaar dat neigen menacingly boven het, en hij be*grijpen een redoubtable spear dat aan:passen zijn hand. _ in gelijkaardig manier Menelaus ook zetten op zijn pantser.
_ wanneer zij hebben zo be*wapenen, elk amid zijn eigen mensen, zij strode woest van aspect in de open ruimte, en zowel Trojans en Achaeans slaan met awe aangezien zij beheld hen. _ zij be*vinden dichtbij elkaar op de meten grond, brandishing hun spears, en elk woedend tegen de andere. _ Alexandrus streven eerst, en slaan de rond schild van de zoon van Atreus, maar de spear niet door*dringen het, voor de schild draaien zijn punt. _ Menelaus daarna nemen doel, bidden aan vader Jove aangezien hij doen zo. _ „koning Jove,“ hij zeggen, „ver*lenen me wraak op Alexandrus die hebben schaden me; _ onder*werpen hem onder mijn hand dat in leeftijd nog te komen een mens kunnen krimpen van doen ziek akte in de huis van zijn gastheer.“
_ hij in evenwicht houden zijn spear aangezien hij spreken, en slingeren het bij de schild van Alexandrus. _ door schild en cuirass het gaan, en scheuren de overhemd door zijn flank, maar Alexandrus af:wijken opzij, en zo bewaren zijn leven. _ dan de zoon van Atreus trekken zijn zwaard, en drijven bij de ont*werpen deel van zijn helm, maar de zwaard vallen rillen in drie of vier stuk van zijn hand, en hij schreeuwen, kijken naar hemel, „vader Jove, van alle god thou kunst de het meest hatelijk; _ IK ervoor zorgen van mijn wraak, maar de zwaard hebben breken in mijn hand, mijn spear hebben slingeren vergeefs, en IK hebben niet doden hem.“
_ met dit hij vliegen bij Alexandrus, vangen hem door de paardehaar pluim van zijn helm, en beginnen slepen hem naar de Achaeans. _ de riem van de helm dat gaan onder zijn kin versperren hem, en Menelaus hebben slepen hem weg aan zijn eigen groot glorie hebben niet Jove dochter Venus snel te merken en te breken de riem van oxhide, zodat de leeg helm komen weg in zijn hand. _ dit hij gooien aan zijn kameraad onder de Achaeans, en opnieuw op:springen op Alexandrus te in werking stellen hem door met een spear, maar Venus weg:rukken hem omhoog in een ogenblik (aangezien een god kunnen doen), ver*bergen hem onder een wolk van duisternis, en ver*voeren hem aan zijn eigen bedchamber.
_ dan zij gaan te roepen Helen, en vinden haar op een hoog toren met de Trojan vrouw over*bevolken om haar. _ zij nemen de vorm van een oud vrouw die gebruiken te kleden wol voor haar wanneer zij nog in Lacedaemon, en van die zij zeer dierbaar. _ dus ver*mommen zij plukken haar door parfumeren robe en zeggen, „komen hither; _ Alexandrus zeggen u te gaan aan de huis; _ hij op zijn bed in zijn eigen ruimte, stralend met schoonheid en kleden in schitterend kleding. _ niemand denken hij hebben enkel komen van be*strijden, maar eerder dat hij gaan aan een dans, of hebben doen dansen en zitten neer.“
_ met deze woord zij be*wegen de hart van Helen aan woede. _ wanneer zij merken de mooi hals van de godin, haar mooi boezem, en fonkelen oog, zij verwonderen bij haar en zeggen, „godin, waarom u zo beguile me? _ u gaan te ver*zenden me ver weg steeds verder aan sommige mens die u hebben nemen omhoog in Phrygia of markt Meonia? _ Menelaus hebben enkel over*winnen Alexandrus, en te nemen mijn hateful zelf terug met hem. _ u komen hier te ver*raden me. _ gaan zitten met Alexandrus zelf; _ voortaan godin niet meer; _ nooit laten uw voet dragen u terug naar Olympus; _ zorg over hem en zorgen hem tot hij maken u zijn vrouw, of, voor de kwestie van dat, zijn slaaf maar me? _ IK niet gaan; _ IK kunnen versieren zijn bed niet meer; _ IK moeten een door-woord onder alle de vrouw van Troy. _ bovendien, IK hebben probleem op mijn mening.“
_ Venus zeer boos, en zeggen, „gewaagd hussy, niet veroorzaken me; _ als u, IK ver*laten u aan uw lot en haten u zo veel aangezien IK hebben houden u. _ IK be*wegen omhoog woest haat tussen Trojans en Achaeans, en u komen aan een slecht eind.“
_ bij dit Helen bang maken. _ zij ver*pakken haar mantel over haar en gaan in stilte, na de godin en ongemerkt door de Trojan vrouw.
_ wanneer zij komen aan de huis van Alexandrus de meisje-bediende plaatsen ongeveer hun werk, maar Helen gaan in haar eigen ruimte, en de gelach-houden godin nemen een zetel en reeks het voor haar onder ogen zien Alexandrus. _ op dit Helen, dochter van aegis-dragen Jove, zitten neer, en met oog askance beginnen te ver*wijten haar echtgenoot.
_ „zo u komen van de strijd,“ zeggen zij; _ „dat u hebben vallen eerder door de hand van dat moedig mens die mijn echtgenoot. _ u gebruiken te op:scheppen dat u een beter mens met hand en spear dan Menelaus. _ gaan, maar I toen, een uitdaging hem opnieuw maar IK moeten adviseren u niet te doen zo, voor als u dwaas genoeg te ontmoeten hem in enig gevecht, u spoedig allen door zijn spear.“
_ en Parijs antwoorden, „vrouw, niet ergeren me met uw reproaches. _ dit tijd, met behulp van Minerva, Menelaus hebben over*winnen me; _ een ander tijd IK kunnen zelf victor, want IK ook hebben god dat be*vinden door me. _ komen, laten ons liggen samen en maken vriend. _ nooit nog IK zo passionately enamoured van u zoals bij dit ogenblik niet zelfs wanneer I eerst dragen u weg van Lacedaemon en varen weg met u niet zelfs wanneer IK hebben omgekeerde met u op de laag van liefde in de eiland van Cranae IK zo enthralled door wens van u zoals nu.“ _ op dit hij leiden haar naar de bed, en zijn vrouw gaan met hem.
_ dus zij leggen zich op de bed samen; _ maar de zoon van Atreus strode onder de throng, kijken overal voor Alexandrus, en geen mens, geen van beiden van de Trojans noch van de bondgenoot, kunnen vinden hem. _ als zij hebben zien hem zij in geen mening te ver*bergen hem, want zij allemaal haten hem aangezien zij doen dood zelf. _ dan Agamemnon, koning van mens, spreken, zeggen, „horen me, Trojans, Dardanians, en bondgenoot. _ de overwinning hebben met Menelaus; _ daarom geven achter Helen met alle haar rijkdom, en be*talen dergelijk boete zoals akkoord gaan op, in verklaring onder hen dat geboren hierna.“
_ dus spreken de zoon van Atreus, en de Achaeans schreeuwen in applaus.
_ | _ boek II _ | _ Homerus _ | _ boek IV _ |