
_ schrijven 800 BC.
_ ver*talen door Samuel Butler
_ | _ boek I _ | _ Homerus _ | _ boek III _ |
_ nu de ander god en de be*wapenen strijder op de vlakte slapen gezond, maar Jove wakeful, want hij denken hoe te doen eer aan Achilles, en vernietigen veel mensen bij de schip van de Achaeans. _ in de eind hij achten het best te ver*zenden een liggen droom aan koning Agamemnon; _ zo hij roepen aan hem en zeggen aan het, „liggen droom, gaan aan de schip van de Achaeans, in de tent van Agamemnon, en zeggen aan hem woord aan woord aangezien IK nu bieden u. _ ver*tellen hem te krijgen de Achaeans onmiddellijk onder wapen, want hij nemen Troy. _ daar niet meer ver*delen advies onder de god; _ Juno hebben brengen hen aan haar eigen mening, en narigheid betides de Trojans.“
_ de droom gaan wanneer het hebben horen zijn bericht, en spoedig be*reiken de schip van de Achaeans. _ het zoeken Agamemnon zoon van Atreus en vinden hem in zijn tent, ver*pakken in een diepgaand sluimer. _ het hangen over zijn hoofd in de gelijkenis van Nestor, zoon van Neleus, die Agamemnon eren vooral zijn raadslid, en zeggen:_ -
_ „u slapen, zoon van Atreus; _ die hebben de welzijn van zijn gastheer en zodat veel ander zorg op zijn schouder moeten dokken zijn slaap. _ horen me meteen, voor IK komen als een boodschapper van Jove, die, hoewel hij niet dichtbij, nog nemen gedachte voor u en medelijden u. _ hij bieden u krijgen de Achaeans onmiddellijk onder wapen, want u nemen Troy. _ daar niet meer ver*delen advies onder de god; _ Juno hebben brengen hen over aan haar eigen mening, en narigheid betides de Trojans bij de hand van Jove. _ herinneren dit, en wanneer u wekken zien dat het niet ont*snappen u.“
_ de droom toen ver*laten hem, en hij denken van ding dat, zeker niet te verwezenlijken. _ hij denken dat op dat zelfde dag hij te nemen de stad van Priam, maar hij weinig kennen wat in de mening van Jove, die hebben veel een ander hard-fought strijd in opslag gelijk voor Danaans en Trojans. _ dan weldra hij wekken, met de goddelijk bericht nog bellen in zijn oor; _ zo hij zitten rechtop, en zetten op zijn zacht overhemd zo eerlijk en nieuw, en over dit zijn zwaar mantel. _ hij binden zijn sandals op zijn aantrekkelijk voet, en slingeren zijn zilveren-be*slaan zwaard over zijn schouder; _ dan hij nemen de imperishable personeel van zijn vader, en sallied vooruit aan de schip van de Achaeans. _ de godin dagen nu wended haar manier aan enorm Olympus dat zij kunnen aan:kondigen dag aan Jove en aan de ander immortals, en Agamemnon ver*zenden de criers ronde te roepen de mensen in assemblage; _ zo zij roepen hen en de mensen verzamelen daarop. _ maar eerst hij bijeen:roepen een vergadering van de oudsten bij de schip van Nestor koning van Pylos, en wanneer zij assembleren hij leggen een sluw advies vóór hen.
_ „mijn vriend,“ zeggen hij, „IK hebben hebben een droom van hemel in de doden van nacht, en zijn gezicht en cijfer lijken niets maar Nestor. _ het hangen over mijn hoofd en zeggen, „u slapen, zoon van Atreus; _ die hebben de welzijn van zijn gastheer en zodat veel ander zorg op zijn schouder moeten dokken zijn slaap. _ horen me meteen, voor IK een boodschapper van Jove, die, hoewel hij niet dichtbij, nog nemen gedachte voor u en medelijden u. _ hij bieden u krijgen de Achaeans onmiddellijk onder wapen, want u nemen Troy. _ daar niet meer ver*delen advies onder de god; _ Juno hebben brengen hen over aan haar eigen mening, en narigheid betides de Trojans bij de hand van Jove. _ herinneren dit.“ _ de droom toen verdwijnen en I awoke. _ laten ons nu, daarom, be*wapenen de zoon van de Achaeans. _ maar het goed dat IK moeten eerst klinken hen, en daartoe IK ver*tellen hen te vliegen met hun schip; _ maar doen u andere gaan ongeveer onder de gastheer en ver*hinderen hun doen zo. „
_ hij toen zitten neer, en Nestor de prins van Pylos met alle sincerity en goodwill richten hen zo: _ „mijn vriend,“ zeggen hij, „prins en raadslid van de Argives, als een ander mens van de Achaeans hebben ver*tellen ons van dit droom wij moeten hebben ver*klaren het vals, en hebben hebben niets te doen met het. _ maar hij die hebben zien het de belangrijkste mens onder ons; _ wij moeten daarom plaatsen ongeveer krijgen de mensen onder wapen.“
_ met dit hij leiden de manier van de assemblage, en de andere sceptred koning toe:nemen met hem in gehoorzaamheid aan de woord van Agamemnon; _ maar de mensen drukken vooruit te horen. _ zij zwermen als bij dat Sally van sommige hol hol en flit in talloos throng onder de lente bloem, bundelen in knoop en cluster; _ maar toch doen de machtig massa gieten van schip en tent aan de assemblage, en uit:strekken zich op de breed-water geven kust, terwijl onder hen in werking stellen Wildfire gerucht, boodschapper van Jove, aan:sporen hen ooit aan de gedeelte. _ dus zij verzamelen in een pell-mell van gek verwarring, en de aarde kreunen onder de landloper van mens aangezien de mensen zoeken hun plaats. _ negen aan:kondigen gaan schreeuwen ongeveer onder hen te blijven hun tumult en bieden hen luisteren aan de koning, tot bij laatste zij krijgen in hun verscheidene plaats en op:houden hun aan:dringen. _ dan koning Agamemnon toe:nemen, houden zijn sceptre. _ dit de werk van Vulcan, die geven het aan Jove de zoon van Saturnus. _ Jove geven het aan kwik, slayer van argus, gids en beschermer. _ koning kwik geven het aan Pelops, de machtig charioteer, en Pelops aan Atreus, herder van zijn mensen. _ Atreus, wanneer hij sterven, ver*laten het aan Thyestes, rijk in troep, en Thyestes in zijn draai ver*laten het te dragen door Agamemnon, dat hij kunnen Lord van alle Argos en van de eiland. _ leunen, toen, op zijn sceptre, hij richten de Argives.
_ „mijn vriend,“ hij zeggen, „held, bediende van Mars, de hand van hemel hebben leggen zwaar op me. _ wreed Jove geven me zijn plechtig belofte dat IK moeten ont*slaan de stad van Priam alvorens terug:keren, maar hij hebben spelen me vals, en nu bieden me gaan ingloriously terug naar Argos met de verlies van veel mensen. _ zulke de wil van Jove, die hebben leggen veel een trots stad in de stof, aangezien hij nog leggen andere, voor zijn macht vooral. _ het een droevig verhaal hierna dat een Achaean gastheer, meteen zo groot en moedig, vechten vergeefs tegen mens minder in aantal dan zelf; _ maar tot hiertoe de eind niet in gezicht. _ denken dat de Achaeans en Trojans hebben zweren aan een plechtig overeenkomst, en dat zij hebben elk nummeren de Trojans door de broodje van hun gezinshoofd, en wij door bedrijf van tien; _ denken verder dat elk van ons bedrijf wensen te hebben een Trojan gezinshoofd te gieten uit hun wijn; _ wij zo zeer meer in aantal dat hoogtepunt veel een bedrijf moeten gaan zonder zijn cup-bearer. _ maar zij hebben in de stad bondgenoot van ander plaats, en het deze dat belemmeren me van kunnen te ont*slaan de rijk stad van Ilius. _ negen van Jove jaar gaan; _ de hout van ons schip hebben rotten; _ hun aan:pakken correct niet meer. _ ons vrouw en klein degenen thuis kijken angstig voor ons komen, maar de werk dat wij komen hither te doen hebben niet doen. _ nu, daarom, laten ons allen doen aangezien IK zeggen: _ laten ons varen terug naar ons eigen land, want wij niet nemen Troy.“
_ met deze woord hij be*wegen de hart van de massa, zodat velen van hen zoals kennen niet de sluw advies van Agamemnon. _ zij schommelen heen en weer als de golf van de Icarian overzees, wanneer de oosten en zuiden wind breken van hemel wolk te geselen hen; _ of zoals wanneer de westen wind bereik over een gebied van graan en de oor boog onder de ontploffing, maar toch zij slingeren aangezien zij vliegen met luid schreeuw naar de schip, en de stof van onder hun voet toe:nemen heavenward. _ zij cheered elkaar trekken de schip in de overzees; _ zij ont*ruimen de kanaal voor hen; _ zij beginnen weg:halen de verblijf van onderaan hen, en de welkin bellen met hun blij schreeuw, zodat enthousiast zij te terug:keren.
_ dan zeker de Argives hebben terug:keren na een manier dat niet fated. _ maar Juno zeggen aan Minerva, „helaas, dochter van aegis-dragen Jove, unweariable, de Argives vliegen huis aan hun eigen land over de breed overzees, en ver*laten Priam en de Trojans de glorie van nog houden Helen, voor wiens belang zodat velen van de Achaeans hebben sterven bij Troy, ver van hun huis? _ gaan ongeveer meteen onder de gastheer, en spreken vrij aan hen, mens door mens, dat zij trekken niet hun schip in de overzees.“
_ Minerva niet slap te doen haar bieden. _ onderaan zij werpen van de hoogste top van Olympus, en in een ogenblik zij bij de schip van de Achaeans. _ daar zij vinden Ulysses, edele van Jove in advies, be*vinden alleen. _ hij hebben niet tot hiertoe leggen een hand op zijn schip, want hij grieved en droevig; _ zo zij gaan dicht tot hem en zeggen, „Ulysses, edel zoon van Laertes, u gaan te gooien zich in uw schip en van huis aan uw eigen land op deze wijze? _ u ver*laten Priam en de Trojans de glorie van nog houden Helen, voor wiens belang zodat velen van de Achaeans hebben sterven bij Troy, ver van hun huis? _ gaan ongeveer meteen onder de gastheer, en spreken vrij aan hen, mens door mens, dat zij trekken niet hun schip in de overzees.“
_ Ulysses kennen de stem zoals dat van de godin: _ hij gooien zijn mantel van hem en plaatsen weg te in werking stellen. _ zijn bediende Eurybates, een mens van Ithaca, die wachten op hem, nemen last van de mantel, waarop Ulysses gaan rechtstreeks tot Agamemnon en ont*vangen van hem zijn voorouderlijk, imperishable personeel. _ met dit hij gaan ongeveer onder de schip van de Achaeans.
_ wanneer hij ontmoeten een koning of leider, hij be*vinden door hem en spreken hem vrij. _ „heer,“ zeggen hij, „dit vlucht laf en onwaardig. _ tribune aan uw post, en bieden uw mensen ook houden hun plaats. _ u nog niet kennen de volledig mening van Agamemnon; _ hij klinken ons, en ere lang be*zoeken de Achaeans met zijn ongenoegen. _ wij niet wij allemaal bij de raad te horen wat hij toen zeggen; _ ervoor zorgen tenzij hij boos en doen ons een ellende; _ voor de trots van koning groot, en de hand van Jove met hen.“
_ maar wanneer hij komen over om het even welk gemeenschappelijk mens die maken een lawaai, hij slaan hem met zijn personeel en be*rispen hem, zeggen, „Sirrah, houden uw vrede, en luisteren aan beter mens dan zelf. _ u een lafaard en geen militair; _ u niemand of in strijd of raad; _ wij niet kunnen allen koning; _ het niet goed dat daar moeten veel meester; _ één mens moeten opperst koning aan die de zoon van plannen Saturnus hebben geven de sceptre van soevereiniteit over u allen.“
_ dus masterfully hij gaan ongeveer onder de gastheer, en de mensen haastig terug naar de raad van hun tent en schip met een geluid als de donder van branding wanneer het komen verpletteren neer op de kust, en alle de overzees in een uproar.
_ de rest nu nemen hun zetel en houden aan hun verscheidene plaats, maar Thersites nog gaan op wagging zijn ongebreideld tong een mens van veel woord, en die unseemly; _ een monger van sedition, een railer tegen allen die in gezag, die geven niet wat hij zeggen, zodat hij kunnen plaatsen de Achaeans in een lach. _ hij de lelijk mens van die allemaal dat komen vóór Troy- met o-benen, lamé van één voet, met zijn twee schouder rond maken en hunched over zijn borst. _ zijn hoofd lanceren aan een punt, maar daar weinig haar op de bovenkant van het. _ Achilles en Ulysses haten hem het ergst van allen, want het met hen dat hij meesten niet te ruzie maken; _ nu, nochtans, met een schril piepend stem hij beginnen op:hopen zijn misbruik op Agamemnon. _ de Achaeans boos en doen walgen, nog niettemin hij houden op op de vuist gaan en bawling bij de zoon van Atreus.
_ „Agamemnon,“ hij schreeuwen, „wat schelen u nu, en wat meer u willen? _ uw tent vullen met brons en met eerlijk vrouw, voor wanneer wij nemen een stad wij geven u de oogst van hen. _ u hebben nog meer goud, dat sommige Trojan te geven u als een losgeld voor zijn zoon, wanneer I of een ander Achaean hebben nemen hem gevangene? _ of het sommige jong meisje te ver*bergen en liggen met? _ het niet goed dat u, de heerser van de Achaeans, moeten brengen hen in dergelijk ellende. _ Weakling lafaard, vrouw eerder dan mens, laten ons varen naar huis, en ver*laten dit kameraad hier bij Troy te stoven in zijn eigen meeds van eer, en ont*dekken of wij van om het even welk dienst aan hem of nr. _ Achilles een veel beter mens dan hij, en zien hoe hij hebben be*handelen hem roven hem van zijn prijs en houden het zelf. _ Achilles nemen het meekly en tonen geen strijd; _ als hij, zoon van Atreus, u nooit opnieuw be*ledigen hem.“
_ dus omheinen Thersites, maar Ulysses meteen uit:gaan aan hem en be*rispen hem streng. _ „controle uw glib tong, Thersites,“ zeggen, „en overspraakstoring niet een woord verder. _ berispen niet met prins wanneer u hebben niets te steunen u. _ daar geen viler schepsel komen vóór Troy met de zoon van Atreus. _ laten vallen dit geratel over koning, en noch revile hen noch houden harping over gaan naar huis. _ wij nog niet kennen hoe ding gaan te, noch of de Achaeans te terug:keren met goed succes of kwaad. _ hoe durven u gibe bij Agamemnon omdat de Danaans hebben toe:kennen hem zo veel prijs? _ IK ver*tellen u, daarom en het zeker dat als IK opnieuw vangen u spreken dergelijk onzin, IK of verbeuren mijn eigen hoofd en niet meer roepen vader van Telemachus, of IK nemen u, ont*doen u grimmig naakt, en ranselen u uit de assemblage tot u gaan blubbering terug naar de schip.“
_ op dit hij slaan hem met zijn personeel over de rug en schouder tot hij laten vallen en vallen a-huilen. _ de gouden sceptre op:heffen een bloedig weal op zijn rug, zodat hij zitten neer bang maken en in pijn, kijken dwaas aangezien hij af:vegen de scheur van zijn oog. _ de mensen droevig voor hem, nog zij lachen heartily, en draaien aan zijn buur zeggen, „Ulysses hebben doen veel een goed ding ere nu in strijd en raad, maar hij nooit doen de Argives een beter draai dan wanneer hij tegen:houden dit kameraad mond van prating verder. _ hij geven de koning niet meer van zijn insolence.“
_ dus zeggen de mensen. _ dan Ulysses toe:nemen, sceptre ter beschikking, en Minerva in de gelijkenis van een aan:kondigen bieden de mensen nog, dat die die ver weg kunnen horen hem en over*wegen zijn raad. _ hij daarom met alle sincerity en goodwill richten hen zo:_ -
_ „koning Agamemnon, de Achaeans voor maken u een door-woord onder alle mensheid. _ zij vergeten de belofte zij maken u wanneer zij op:stellen van Argos, dat u moeten niet terug:keren tot u hebben ont*slaan de stad van Troy, en, als kind of widowed vrouw, zij fluisteren en plaatsen weg homeward. _ waar het dat zij hebben hebben zware arbeid genoeg te ontmoedigen. _ EEN mens schuren bij moeten blijven vanaf zijn vrouw zelfs voor een enig maand, wanneer hij op scheepsboord, bij de genade van wind en overzees, maar het nu negen lang jaar dat wij hebben houden hier; _ IK niet kunnen, daarom, beschuldigen de Achaeans als zij draaien restive; _ nog wij shamed als wij gaan naar huis leeg na zo lang een verblijf daarom, mijn vriend, geduldig nog een weinig lang dat wij kunnen leren of de prophesyings van Calchas vals of waar.
_ „allen die hebben niet sinds om:komen moeten herinneren alsof het gisteren of de dag vóór, hoe de schip van de Achaeans vast:houden in Aulis wanneer wij op ons manier hither te maken oorlog op Priam en de Trojans. _ wij uit:strekken rond een fontein aan:bieden hecatombs aan de god op hun heilig altaar, en daar een fijn vlak-boom van onder welke daar welled een stroom van zuiver water. _ dan wij zien een prodigy; _ voor Jove ver*zenden een vreselijk serpent uit de grond, met bloed-rood vlek op zijn rug, en het werpen van onder de altaar op de vlak-boom. _ nu daar een kroost van jong sparrows, vrij klein, op de hoogste boeg, piepen uit van onder de blad, acht over het geheel genomen alle, en hun moeder dat uit:broeden hen maken negen. _ de serpent eten de slecht cheeping ding, terwijl de oud vogel vliegen over be*treuren haar klein degenen; _ maar de serpent werpen zijn rol over haar en vangen haar door de vleugel aangezien zij gillen. _ dan, wanneer hij hebben eten zowel de sparrow en haar jongelui, de god die hebben ver*zenden hem maken hem worden een teken; _ voor de zoon van plannen Saturnus draaien hem in steen, en wij be*vinden daar benieuwd bij dat dat hebben komen te over:gaan. _ zien, toen, dat zulk een vreselijk portent hebben breken binnen op ons hecatombs, Calchas onmiddellijk ver*klaren aan ons de orakel van hemel. _ „waarom, Achaeans,“ zeggen hij, „u zo speechless? _ Jove hebben ver*zenden ons dit teken, lang in komen, en lang ere het ver*vullen, hoewel zijn bekendheid duren voor ooit. _ aangezien de serpent eten de acht beginneling en de sparrow dat uit:broeden hen, dat maken negen, zodat wij be*strijden negen jaar bij Troy, maar in de tiende nemen de stad.“ _ dit wat hij zeggen, en nu het alle komen waar. _ verblijf hier, daarom, iedereen, tot wij nemen de stad van Priam. „
_ op dit de Argives op:heffen een schreeuw, tot de schip bellen opnieuw met de uproar. _ Nestor, ridder van Gerene, toen richten hen. _ „schande op u,“ hij schreeuwen, „te blijven spreken hier als kind, wanneer u moeten be*strijden als mens. _ waar ons overeenkomst nu, en waar de eed dat wij hebben nemen? _ ons advies gooien in de brand, met ons drank-dienstenaanbod en de rechterkant van beurs waarin wij hebben zetten ons vertrouwen? _ wij ver*spillen ons tijd in woord, en voor alle ons spreken hier geen verderop. _ tribune, daarom, zoon van Atreus, door uw eigen vast doel; _ leiden de Argives op slag, en ver*laten dit handvol van mens te rotten, die plannen, en regeling vergeefs, te krijgen terug naar Argos ere zij hebben leren of Jove waar of een leugenaar. _ voor de machtig zoon van Saturnus zeker be*loven dat wij moeten slagen, wanneer wij Argives vastgesteld zeil te brengen dood en vernietiging op de Trojans. _ hij tonen ons gunstig teken door op:vlammen zijn bliksem op ons rechterkant; _ daarom laten niets maken haast te gaan tot hij hebben eerst liggen met de vrouw van wat Trojan, en avenged de zware arbeid en verdriet dat hij hebben lijden omwille van Helen. _ niettemin, als om het even welk mens in dergelijk haast te thuis opnieuw, laten hem leggen zijn hand aan zijn schip dat hij kunnen ontmoeten zijn noodlot in de gezicht van allen. _ maar, o koning, over*wegen en geven oor aan mijn advies, want de woord dat IK zeggen kunnen niet veronachtzamen licht. _ ver*delen uw mens, Agamemnon, in hun verscheidene stam en clan, dat clan en stam kunnen be*vinden langs en helpen elkaar. _ als u doen dit, en als de Achaeans uit:voeren u, u vinden uit wie, zowel leider en volk, moedig, en wie lafaard; _ want zij vie tegen de andere. _ dus u ook leren of het door de advies van hemel of de lafheid van mens dat u ont*breken te nemen de stad.“
_ en Agamemnon antwoorden, „Nestor, u hebben opnieuw outdone de zoon van de Achaeans in advies. _, door vader Jove, Minerva, en Apollo, dat IK hebben onder hen tien meer dergelijk raadslid, voor de stad van koning Priam toen spoedig vallen onder ons hand, en wij moeten ont*slaan het. _ maar de zoon van Saturnus treffen me met vergeefs wranglings en geschil. _ Achilles en IK ruzie maken over dit meisje, waarin kwestie IK de eerste te be*ledigen; _ als wij kunnen van één mening opnieuw, de Trojans niet ver*helpen vernietiging voor een dag. _ nu, daarom, krijgen uw ochtend maaltijd, dat ons gastheer aan:sluiten in strijd. _ Whet goed uw spears; _ zien goed aan de opdracht geven van uw schild; _ geven goed voer aan uw paard, en kijken uw blokkenwagen zorgvuldig over, dat wij kunnen doen vechten de livelong dag; _ want wij hebben geen rest, niet voor een ogenblik, tot nacht daling aan deel ons. _ de band dat dragen uw schild nat met de zweet op uw schouder, uw hand vermoeien op uw spears, uw paard stomen voor uw blokkenwagen, en als IK zien om het even welk mens shirking de strijd, of proberen te houden uit het bij de schip, daar geen hulp voor hem, maar hij een prooi aan hond en gier.“
_ dus hij spreken, en de Achaeans brullen applaus. _ zoals wanneer de golf in werking stellen hoogte vóór de ontploffing van de zuiden wind en breken op sommige lofty headland, stormen tegen het en buffeting het zonder op:houden, aangezien de onweer van elk kwart drijven hen, maar toch doen de Achaeans stijging en haast in alle richting aan hun schip. _ daar zij aan:steken hun brand bij hun tent en krijgen diner, aan:bieden offer elk mens aan één of andere van de god, en bidden elk één van hen dat hij kunnen leven te komen de strijd. _ Agamemnon, koning van mens, offeren een vet vijf-jaar-oud stier aan de machtig zoon van Saturnus, en uit:nodigen de prins en oudsten van zijn gastheer. _ eerst hij vragen Nestor en koning Idomeneus, toen de twee Ajaxes en de zoon van Tydeus, en ten zesde Ulysses, edele van god in advies; _ maar Menelaus komen van zijn eigen overeenstemming, want hij kennen hoe bezig zijn broer dan. _ zij be*vinden om de stier met de gerst-maaltijd in hun hand, en Agamemnon bidden, zeggen, „Jove, het meest glorious, opperst, dat dwellest in hemel, en ridest op de onweer-wolk, toelage dat de zon kunnen niet gaan neer, noch de nacht daling, tot de palace van Priam leggen laag, en zijn poort verbruiken met brand. _ toelage dat mijn zwaard kunnen door*dringen de overhemd van Hector over zijn hart, en dat hoogtepunt velen van zijn kameraad kunnen bijten de stof aangezien zij vallen sterven om hem.“
_ dus hij bidden, maar de zoon van Saturnus niet ver*vullen zijn gebed. _ hij goed:keuren de offer, nog niettemin stijgen hun zware arbeid voortdurend. _ wanneer zij hebben doen bidden en be*strooien de gerst-maaltijd op de slachtoffer, zij trekken terug zijn hoofd, doden het, en toen flayed het. _ zij verwijderen de thigh-bones, ver*pakken hen rond in twee laag van vet, en plaatsen stuk van ruw vlees op de bovenkant van hen. _ deze zij branden op de gespleten logboek van brandhout, maar zij spitted de binnenkomend vlees, en houden hen in de vlam aan kok. _ wanneer de thigh-bones branden, en zij hebben proeven de binnenkomend vlees, zij snijden de rest omhoog klein, zetten de stuk op spit, roosteren hen tot zij doen, en trekken hen weg; _ dan, wanneer zij hebben beëindigen hun werk en de feest klaar, zij eten het, en elk mens hebben zijn volledig aandeel, zodat allen tevreden:stellen. _ zodra zij hebben hebben genoeg te eten en drinken, Nestor, ridder van Gerene, beginnen te spreken. _ „koning Agamemnon,“ zeggen hij, „laten ons niet blijven spreken hier, noch slap in de werk dat hemel hebben zetten in ons hand. _ laten de aan:kondigen bijeen:roepen de mensen te verzamelen bij hun verscheidene schip; _ wij toen gaan ongeveer onder de gastheer, dat wij kunnen beginnen be*strijden meteen.“
_ dus hij spreken, en Agamemnon aandacht besteden zijn woord. _ hij meteen ver*zenden de criers ronde te roepen de mensen in assemblage. _ zo zij roepen hen, en de mensen verzamelen daarop. _ de leider over de zoon van Atreus kiezen hun mens en op:stellen hen, terwijl Minerva gaan onder hen houden haar priceless aegis dat kennen noch leeftijd noch dood. _ van het daar golven een honderd leeswijzer van zuiver goud, allen deftly weven, en elk één van hen met een waarde van een honderd os. _ met dit zij werpen woedend overal onder de gastheer van de Achaeans, aan:sporen hen vooruit, en zetten moed in de hart van elk, zodat hij kunnen be*strijden en vechten zonder op:houden. _ dus oorlog worden zoet in hun oog zelfs dan terug:keren huis in hun schip. _ zoals wanneer sommige groot bos brand woeden op een berg bovenkant en zijn licht zien afar, maar toch aangezien zij marcheren de schijnsel van hun pantser op:vlammen omhoog in de firmament van hemel.
_ zij als groot troep van gans, of kraan, of swans op de vlakte over de water van Cayster, dat vleugel hun manier hither en thither, glorying in de trots van vlucht, en schreeuwen aangezien zij regelen tot de moeras levend met hun gillen. _ zelfs zo doen hun stam gieten van schip en tent op de vlakte van de Scamander, en de grond bellen als messing onder de voet van mens en paard. _ zij be*vinden zo dik op de bloem-bespangled gebied zoals blad dat bloeien in zomer.
_ aangezien talloos zwerm van vlieg zoemen rond een herdsman hoeve in de tijd van lente wanneer de emmer door*weken met melk, maar toch doen de Achaeans zwerm op de vlakte te laden de Trojans en vernietigen hen.
_ de leider schikken hun mens dit manier en dat alvorens de strijd beginnen, op:stellen hen uit zo gemakkelijk aangezien goatherds op:stellen hun troep wanneer zij hebben mengen terwijl voeden; _ en onder hen gaan koning Agamemnon, met een hoofd en gezicht als Jove de Lord van donder, een taille als Mars, en een borst als dat van Neptunus. _ als sommige groot stier dat Lord het over de kudde op de vlakte, maar toch doen Jove maken de zoon van Atreus tribune peerless onder de massa van held.
_ en nu, o muse, bewoner in de herenhuis van Olympus, ver*tellen me want u godin en in alle plaats zodat u zien alle ding, terwijl wij kennen niets maar door rapport die de leider en prins van de Danaans? _ zoals voor de gemeenschappelijk militair, zij zodat IK kunnen niet noemen elk enig één van hen hoewel IK hebben tien tong, en hoewel mijn stem ont*breken niet en mijn hart van brons binnen me, tenzij u, o Olympian muse, dochter van aegis-dragen Jove, te ver*halen hen aan me. _ niettemin, IK ver*tellen de kapitein van de schip en alle de vloot samen.
_ Peneleos, Leitus, Arcesilaus, Prothoenor, en Clonius kapitein van de Boeotians. _ deze zij dat blijven stilstaan in Hyria en rotsachtig Aulis, en wie houden Schoenus, Scolus, en de hoogland van Eteonus, met Thespeia, Graia, en de eerlijk stad van Mycalessus. _ zij ook houden Harma, Eilesium, en Erythrae; _ en zij hebben Eleon, Hyle, en Peteon; _ Ocalea en de sterk vesting van Medeon; _ Copae, Eutresis, en Thisbe de achter*volgen van duif; _ Coronea, en de weiland van Haliartus; _ Plataea en Glisas; _ de vesting van Thebes de minder; _ heilig Onchestus met zijn beroemd bosje van Neptunus; _ Arne rijke in wijngaard; _ Midea, heilig Nisa, en Anthedon op de overzees. _ van deze daar komen vijftig schip, en in elk daar een honderd en twintig jong mens van de Boeotians.
_ Ascalaphus en Ialmenus, zoon van Mars, leiden de mensen dat blijven stilstaan in Aspledon en Orchomenus de koninkrijk van Minyas. _ Astyoche een edel meisje dragen hen in de huis van acteur zoon van Azeus; _ want zij hebben gaan met Mars in het geheim in een hoger kamer, en hij hebben liggen met haar. _ met deze daar komen dertig schip.
_ de Phoceans leiden door Schedius en Epistrophus, zoon van machtig Iphitus de zoon van Naubolus. _ deze zij dat houden Cyparissus, rotsachtig Pytho, heilig Crisa, Daulis, en Panopeus; _ zij ook dat blijven stilstaan in Anemorea en Hyampolis, en over de water van de rivier Cephissus, en Lilaea door de lente van de Cephissus; _ met hun leider komen veertig schip, en zij op:stellen de kracht van de Phoceans, dat plaatsen naast de Boeotians, op hun linkerzijde.
_ Ajax, de vloot zoon van Oileus, bevelen de Locrians. _ hij niet zo groot, noch bijna zo groot, als Ajax de zoon van Telamon. _ hij wat mens, en zijn breastplate maken van linnen, maar in gebruik van de spear hij uit:blinken alle de Hellenes en de Achaeans. _ deze blijven stilstaan in Cynus, Opous, Calliarus, Bessa, Scarphe, eerlijk Augeae, Tarphe, en Thronium over de rivier Boagrius. _ met hem daar komen veertig schip van de Locrians die blijven stilstaan voorbij Euboea.
_ de woest Abantes houden Euboea met zijn stad, Chalcis, Eretria, Histiaea rijke in wijnstok, Cerinthus op de overzees, en de rots-neer:strijken stad van Dium; _ met hen ook de mens van Carystus en Styra; _ Elephenor van de ras van Mars in bevel van deze; _ hij zoon van Chalcodon, en leider over alle de Abantes. _ met hem zij komen, vloot van voet en dragen hun haar lang erachter, moedig strijder, die ooit streven te scheuren open de corslets van hun vijand met hun lang lijkwit spears. _ van deze daar komen vijftig schip.
_ en zij dat houden de sterk stad van Athene, de mensen van groot Erechtheus, die geboren van de grond zelf, maar Jove dochter, Minerva, be*vorderen hem, en vestigen hem bij Athene in haar eigen rijk heiligdom. _ daar, jaar na jaar, de Atheens jeugd aan*bidden hem met offer van stier en ram. _ deze bevelen door Menestheus, zoon van Peteos. _ geen mens leven kunnen evenaren hem in de op:stellen van blokkenwagen en voet militair. _ Nestor kunnen alleen wedijveren hem, want hij oud. _ met hem daar komen vijftig schip.
_ Ajax brengen twaalf schip van salami, en plaatsen hen naast die van de Athenians.
_ de mens van Argos, opnieuw, en die die houden de muur van Tiryns, met Hermione, en Asine op de golf; _ Troezene, Eionae, en de wijngaard land van Epidaurus; _ de Achaean jeugd, bovendien, die komen van Aegina en Mases; _ deze leiden door Diomed van de luid slag-schreeuw, en Sthenelus zoon van famed Capaneus. _ met hen in bevel Euryalus, zoon van koning Mecisteus, zoon van Talaus; _ maar Diomed belangrijkst over hen allen. _ met deze daar komen tachtig schip.
_ die die houden de sterk stad van Mycenae, rijk Corinth en Cleonae; _ Orneae, Araethyrea, en Licyon, waar Adrastus regeren van oud; _ Hyperesia, hoog Gonoessa, en Pellene; _ Aegium en alle de kust-land rond Helice; _ deze ver*zenden een honderd schip onder de bevel van koning Agamemnon, zoon van Atreus. _ zijn kracht ver zowel fijn en het meest talrijk, en in hun midden de koning zelf, allen glorious in zijn pantser van gleaming brons belangrijkste onder de held, want hij de groot koning, en hebben meeste mens onder hem.
_ en die dat blijven stilstaan in Lacedaemon, liggen laag onder de heuvel, Pharis, Sparta, met Messe de achter*volgen van duif; _ Bryseae, Augeae, Amyclae, en Helos op de overzees; _ Laas, bovendien, en Oetylus; _ deze leiden door Menelaus van de luid slag-schreeuw, broer aan Agamemnon, en van hen daar zestig schip, op:stellen behalve de andere. _ onder hen gaan Menelaus zelf, sterk in ijver, aan:sporen zijn mens te be*strijden; _ want hij longed aan avenge de zware arbeid en verdriet dat hij hebben lijden omwille van Helen.
_ de mens van Pylos en Arene, en Thryum waar de plaats van de rivier Alpheus; _ sterk Aipy, Cyparisseis, en Amphigenea; _ Pteleum, Helos, en Dorium, waar de muse ontmoeten Thamyris, en stilled zijn minstrelsy voor ooit. _ hij terug:keren van Oechalia, waar Eurytus leven en regeren, en op:scheppen dat hij over*treffen zelfs de muse, dochter van aegis-dragen Jove, als zij moeten zingen tegen hem; _ waarop zij boos, en verminken hem. _ zij roven hem van zijn goddelijk macht van lied, en daarna hij kunnen slaan de lyre niet meer. _ deze bevelen door Nestor, ridder van Gerene, en met hem daar komen negentig schip.
_ en die dat houden Arcadia, onder de hoog berg van Cyllene, dichtbij de graf van Aepytus, waar de mensen be*strijden lijf-aan-lijf; _ de mens van Pheneus ook, en Orchomenus rijke in troep; _ van Rhipae, Stratie, en somber Enispe; _ van Tegea en eerlijk Mantinea; _ van Stymphelus en Parrhasia; _ van deze koning Agapenor zoon van Ancaeus bevelhebber, en zij hebben zestig schip. _ veel Arcadiér, goed militair, komen in elk één van hen, maar Agamemnon vinden hen de schip waarin te kruisen de overzees, want zij niet een mensen dat be*zetten hun zaken op de water.
_ de mens, bovendien, van Buprasium en van Elis, zodat veel van het zoals in:sluiten tussen Hyrmine, Myrsinus op de sea-shore, de rots Olene en Alesium. _ deze hebben vier leider, en elk van hen hebben tien schip, met veel Epeans aan boord. _ hun kapitein Amphimachus en Thalpius- de, zoon van Cteatus, en de andere, van Eurytus- allebei van de ras van acteur. _ de twee andere Diores, zoon van Amarynces, en Polyxenus, zoon van koning Agasthenes, zoon van Augeas.
_ en die van Dulichium met de heilig Echinean eiland, die blijven stilstaan voorbij de overzees van Elis; _ deze leiden door Meges, edele van Mars, en de zoon van moedig Phyleus, beste aan Jove, die ruzie maken met zijn vader, en gaan te regelen in Dulichium. _ met hem daar komen veertig schip.
_ Ulysses leiden de moedig Cephallenians, die houden Ithaca, Neritum met zijn bos, Crocylea, ruw Aegilips, Samos en Zacynthus, met de vasteland ook dat over tegen de eiland. _ deze leiden door Ulysses, edele van Jove in advies, en met hem daar komen twaalf schip.
_ Thoas, zoon van Andraemon, bevelen de Aetolians, die blijven stilstaan in Pleuron, Olenus, Pylene, Chalcis door de overzees, en rotsachtig Calydon, voor de groot koning Oeneus hebben nu geen zoon leven, en zelf dood, zoals ook gouden-haired Meleager, die hebben plaatsen over de Aetolians te hun koning. _ en met Thoas daar komen veertig schip.
_ de beroemd spearsman Idomeneus leiden de Cretans, die houden Cnossus, en de goed-ommuren stad van Gortys; _ Lyctus ook, Miletus en Lycastus dat liggen op de krijt; _ de dichtbevolkt stad van Phaestus en Rhytium, met de ander volk dat blijven stilstaan in de honderd stad van Kreta. _ al deze leiden door Idomeneus, en door Meriones, edele van moordend Mars. _ en met deze daar komen tachtig schip.
_ Tlepolemus, zoon van hercules, een mens zowel moedig en groot van gestalte, brengen negen schip van lordly strijder van Rhodos. _ deze blijven stilstaan in Rhodos dat ver*delen onder de drie stad van Lindus, Ielysus, en Cameirus, dat liggen op de krijt. _ deze bevelen door Tlepolemus, zoon van hercules door Astyochea, die hij hebben dragen weg van Ephyra, op de rivier Selleis, na ont*slaan veel stad van moedig strijder. _ wanneer Tlepolemus kweken omhoog, hij doden zijn vader oom Licymnius, die hebben een beroemd strijder in zijn tijd, maar toen kweken oud. _ op dit hij bouwen zich een vloot, verzamelen een groot volgen, en vluchten voorbij de overzees, want hij menaced door de ander zoon en kleinzoon van hercules. _ na een reis. _ tijdens dat hij lijden groot ontbering, hij komen aan Rhodos, waar de mensen ver*delen in drie gemeenschap, volgens hun stam, en dearly houden door Jove, de Lord, van god en mens; _ wherefore de zoon van Saturnus over*gieten onderaan groot rijkdom op hen.
_ en Nireus brengen drie schip van Syme- Nireus, die de handsomest mens dat komen omhoog onder Ilius van alle de Danaans na de zoon van Peleus- maar hij een mens van geen substantie, en hebben maar een klein volgen.
_ en die dat houden Nisyrus, Crapathus, en Casus, met cos., de stad van Eurypylus, en de Calydnian eiland, deze bevelen door Pheidippus en Antiphus, twee zoon van koning Thessalus de zoon van hercules. _ en met hen daar komen dertig schip.
_ die opnieuw wie houden Pelasgic Argos, Alos, Alope, en Trachis; _ en die van Phthia en Hellas de land van eerlijk vrouw, die roepen Myrmidons, Hellenes, en Achaeans; _ deze hebben vijftig schip, over dat Achilles in bevel. _ maar zij nu nemen geen deel in de oorlog, aangezien daar niemand aan marshal hen; _ voor Achilles blijven door zijn schip, woedend over de verlies van de meisje Briseis, die hij hebben nemen van Lyrnessus bij zijn eigen groot risico, wanneer hij hebben ont*slaan Lyrnessus en Thebe, en hebben omver:werpen Mynes en Epistrophus, zoon van koning Evenor, zoon van Selepus. _ voor haar belang Achilles nog grieving, maar ere lang hij opnieuw te aan:sluiten hen.
_ en die dat houden Phylace en de bloemrijk weide van Pyrasus, heiligdom van Ceres; _ Iton, de moeder van schaap; _ Antrum op de overzees, en Pteleum dat liggen op de gras land. _ van deze moedig Protesilaus hebben kapitein terwijl hij nog levend, maar hij nu liggen onder de aarde. _ hij hebben ver*laten een vrouw achter hem in Phylace te scheuren haar wang in verdriet, en zijn huis slechts half beëindigen, want hij doden door een Dardanian strijder terwijl springen belangrijkste van de Achaeans op de grond van Troy. _ nog, hoewel zijn mensen rouwen hun leider, zij niet zonder een leider, voor Podarces, van de ras van Mars, op:stellen hen; _ hij zoon van Iphiclus, rijk in schaap, die de zoon van Phylacus, en hij eigen broer aan Protesilaus, slechts jong, Protesilaus meteen de oud en de meer moedig. _ zo de mensen niet zonder een leider, hoewel zij rouwen hem die zij hebben verliezen. _ met hem daar komen veertig schip.
_ en die dat houden Pherae door de Boebean meer, met Boebe, Glaphyrae, en de dichtbevolkt stad van Iolcus, deze met hun elf schip leiden door Eumelus, zoon van Admetus, die Alcestis dragen aan hem, mooi van de dochter van Pelias.
_ en die dat houden Methone en Thaumacia, met Meliboea en ruw Olizon, deze leiden door de bekwaam schutter Philoctetes, en zij hebben zeven schip, elk met vijftig oarsmen allemaal goed schutter; _ maar Philoctetes liggen in groot pijn in de eiland van Lemnos, waar de zoon van de Achaeans ver*laten hem, want hij hebben bijten door een giftig water slang. _ daar hij leggen ziek en droevig, en hoogtepunt spoedig doen de Argives komen te missen hem. _ maar zijn mensen, hoewel zij voelen zijn verlies niet leaderless, voor Medon, de bastaard zoon van Oileus door Rhene, plaatsen hen in serie.
_ die, opnieuw, van Tricca en de steenachtig gebied van Ithome, en zij dat houden Oechalia, de stad van Oechalian Eurytus, deze bevelen door de twee zoon van Aesculapius, bekwaam in de kunst van helen, Podalirius en Machaon. _ en met hen daar komen dertig schip.
_ de mens, bovendien, van Ormenius, en door de fontein van Hypereia, met die dat houden Asterius, en de wit kam van Titanus, deze leiden door Eurypylus, de zoon van Euaemon, en met hen daar komen veertig schip.
_ die dat houden Argissa en Gyrtone, Orthe, Elone, en de wit stad van Oloosson, van deze moedig Polypoetes leider. _ hij zoon van Pirithous, die zoon van Jove zelf, voor Hippodameia dragen hem aan Pirithous op de dag wanneer hij nemen zijn wraak op de shaggy berg wilde en drijven hen van Mt. Pelion aan de Aithices. _ maar Polypoetes niet enig in bevel, want met hem Leonteus, van de ras van Mars, die zoon van Coronus, de zoon van Caeneus. _ en met deze daar komen veertig schip.
_ Guneus brengen twee en twintig schip van Cyphus, en hij volgen door de Enienes en de moedig Peraebi, die blijven stilstaan over winters Dodona, en houden de land om de mooi rivier Titaresius, dat ver*zenden zijn water in de Peneus. _ zij niet mengen met de zilveren werveling van de Peneus, maar stroom op de bovenkant van hen als olie; _ voor de Titaresius een tak van ontzetting Orcus en van de rivier Styx.
_ van de Magnetes, Prothous zoon van Tenthredon bevelhebber. _ zij zij dat blijven stilstaan over de rivier Peneus en Mt. Pelion. _ Prothous, vloot van voet, hun leider, en met hem daar komen veertig schip.
_ zulke de leider en prins van de Danaans. _ Who, toen, o muse, de belangrijkste, hetzij mens of paard, onder die dat volgen na de zoon van Atreus?
_ van de paard, die van de zoon van Pheres veruit de fijn. _ zij drijven door Eumelus, en als vloot als vogel. _ zij van de zelfde leeftijd en kleur, en volkomen aan:passen in hoogte. _ Apollo, van de zilveren boog, hebben kweken hen in Perea- beiden merrie, en vreselijk als Mars in slag. _ van de mens, Ajax, zoon van Telamon, veel de belangrijkste mits Achilles woede duren, voor Achilles uit:blinken hem zeer en hij hebben ook beter paard; _ maar Achilles nu houden op een afstand bij zijn schip uit hoofde van zijn ruzie met Agamemnon, en zijn mensen over:gaan hun tijd op de overzees kust, werpen schijf of streven met spears bij een teken, en in boogschieten. _ hun paard be*vinden elk door zijn eigen blokkenwagen, champing lotusbloem en wild selderie. _ de blokkenwagen huisvesten onder dekking, maar hun eigenaar, bij gebrek aan leiding, wandelen hither en thither over de gastheer en gaan niet vooruit te be*strijden.
_ dus marcheren de gastheer als een verbruiken brand, en de aarde kreunen onder hen wanneer de Lord van donder boos en geselen de land over Typhoeus onder de Arimi, waar zij zeggen Typhoeus liggen. _ maar toch doen de aarde gekreun onder hen aangezien zij ver*zenden over de vlakte.
_ en nu iris, vloot als de wind, ver*zenden door Jove te ver*tellen de slecht nieuws onder de Trojans. _ zij verzamelen in assemblage, oud en jong, bij Priam poort, en iris komen dicht tot Priam, spreken met de stem van Priam zoon Polites, die, vloot van voet, plaatsen als watchman voor de Trojans op de graf van oud Aesyetes, te kijken uit voor om het even welk Sally van de Achaeans. _ in zijn gelijkenis iris spreken, zeggen, „oud mens, u spreken nutteloos, zoals op tijd van vrede, terwijl oorlog dichtbij. _ IK hebben in veel een slag, maar nooit nog zien zulk een gastheer zoals nu vooruit:gaan. _ zij kruisen de vlakte te aan:vallen de stad zo dik zoals blad of als de zand van de overzees. _ Hector, IK laden u vooral andere, doen aangezien IK zeggen. _ daar veel bondgenoot ver*spreiden over de stad van Priam van ver plaats en spreken divers tong. _ daarom, laten elk leider geven orde aan zijn eigen mensen, plaatsen hen afzonderlijk in serie en leiden hen vooruit aan slag.“
_ dus zij spreken, maar Hector kennen dat het de godin, en meteen ver*delen de assemblage. _ de mens vliegen aan wapen; _ alle de poort openen, en de mensen thronged door hen, paard en voet, met de landloper vanaf een groot massa.
_ nu daar een hoog hoop vóór de stad, toe:nemen door zich op de vlakte. _ mens roepen het Batieia, maar de god kennen dat het de graf van lithe Myrine. _ hier de Trojans en hun bondgenoot ver*delen hun kracht.
_ Priam zoon, groot Hector van de gleaming helm, bevelen de Trojans, en met hem op:stellen veruit de groot aantal en het meest moedig van die die longing voor de strijd.
_ de Dardanians leiden door moedig Aeneas, die Venus dragen aan Anchises, wanneer zij, godin hoewel zij, hebben liggen met hem op de berg helling van Ida. _ hij niet alleen, want met hem de twee zoon van Antenor, Archilochus en Acamas, beide bekwaam in alle de krijgskunst van oorlog.
_ zij dat blijven stilstaan in Telea onder de laag aansporing van Mt. Ida, mens van substantie, die drinken de limpid water van de Aesepus, en van Trojan bloed deze leiden door Pandarus zoon van Lycaon, die Apollo hebben onder*wijzen te gebruiken de boog.
_ zij dat houden Adresteia en de land van Apaesus, met Pityeia, en de hoog berg van Tereia- deze leiden door Adrestus en Amphius, wiens breastplate van linnen. _ deze de zoon van Merops van Percote, die uit:blinken in alle soort van divination. _ hij ver*tellen hen niet te deel:nemen in de oorlog, maar zij geven hem geen aandacht, want lot ver*lokken hen aan vernietiging.
_ zij dat blijven stilstaan over Percote en Practius, met Sestos, Abydos, en Arisbe- deze leiden door Asius, zoon van Hyrtacus, een moedig bevelhebber Asius, de zoon van Hyrtacus, die zijn krachtig donker baai steeds, van de ras dat komen van de rivier Selleis, hebben brengen van Arisbe.
_ Hippothous leiden de stam van Pelasgian spearsmen, die blijven stilstaan in vruchtbaar Larissa- Hippothous, en Pylaeus van de ras van Mars, twee zoon van de Pelasgian Lethus, zoon van Teutamus.
_ Acamas en de strijder Peirous bevelen de Thracians en die dat komen van voorbij de machtig stroom van de Hellespont.
_ Euphemus, zoon van Troezenus, de zoon van Ceos, kapitein van de Ciconian spearsmen.
_ Pyraechmes leiden de Paeonian schutter van ver Amydon, door de breed water van de rivier Axius, de eerlijk dat stromen op de aarde.
_ de Paphlagonians bevelen door stout-hearted Pylaemanes van Enetae, waar de muilezel in werking stellen wildernis in kudde. _ deze zij dat houden Cytorus en de land om Sesamus, met de stad door de rivier Parthenius, Cromna, Aegialus, en lofty Erithini.
_ Odius en Epistrophus kapitein over de Halizoni van ver Alybe, waar daar mijn van zilver.
_ Chromis, en Ennomus de voor*spellen, leiden de Mysians, maar zijn vaardigheid in augury helpen niet te bewaren hem van vernietiging, want hij vallen door de hand van de vloot nakomeling van Aeacus in de rivier, waar hij zwenken andere ook van de Trojans.
_ Phorcys, opnieuw, en edel Ascanius leiden de Phrygians van de ver land van Ascania, en allebei enthousiast voor de strijd.
_ Mesthles en Antiphus bevelen de Meonians, zoon van Talaemenes, geboren aan hem van de Gygaean meer. _ deze leiden de Meonians, die blijven stilstaan onder Mt. Tmolus.
_ Nastes leiden de Carians, mens van een vreemd toespraak. _ deze houden Miletus en de bebost berg van Phthires, met de water van de rivier Maeander en de lofty kam van Mt. Mycale. _ deze bevelen door Nastes en Amphimachus, de moedig zoon van Nomion. _ hij komen de strijd met goud over hem, als een meisje; _ dwaas dat hij, zijn goud van geen resultaat te bewaren hem, want hij vallen in de rivier door de hand van de vloot nakomeling van Aeacus, en Achilles dragen weg zijn goud.
_ Sarpedon en Glaucus leiden de Lycians van hun ver land, door de eddying water van de Xanthus.
_ | _ boek I _ | _ Homerus _ | _ boek III _ |