
_ schrijven 800 BC.
_ ver*talen door Samuel Butler
_ | _ boek VI _ | _ Homerus _ | _ boek VIII _ |
_ met deze woord Hector over:gaan door de poort, en zijn broer Alexandrus met hem, beide enthousiast voor de strijd. _ zoals wanneer hemel ver*zenden een wind aan zeeman die hebben lang zoeken één vergeefs, en hebben werken bij hun oars tot zij vaag met zware arbeid, maar toch onthaal de gezicht van deze twee held aan de Trojans.
_ daarop Alexandrus doden Menesthius de zoon van Areithous; _ hij leven in Ame, en zoon van Areithous de foelie-mens, en van Phylomedusa. _ Hector werpen een spear bij Eioneus en slaan hem doden met een wond in de hals onder de brons rand van zijn helm. _ Glaucus, bovendien, zoon van Hippolochus, kapitein van de Lycians, in hard lijf-aan-lijf strijd smote Iphinous zoon van Dexius op de schouder, aangezien hij op:springen op zijn blokkenwagen achter zijn vloot merrie; _ zo hij vallen aan aarde van de auto, en daar geen leven ver*laten in hem.
_ wanneer, daarom, Minerva zien deze mens maken verwoesting van de Argives, zij werpen neer aan Ilius van de top van Olympus, en Apollo, die kijken van Pergamus, uit:gaan te ontmoeten haar; _ voor hij willen de Trojans te victorious. _ de paar ontmoeten door de eiken boom, en koning Apollo zoon van Jove eerste te spreken. _ „wat u hebben zeggen hij, „dochter van groot Jove, dat uw trots geest hebben ver*zenden u hither van Olympus? _ hebben u geen medelijden op de Trojans, en u neigen de schaal van overwinning ten gunste van de Danaans? _ laten me overreden u want het beter zo blijven de gevecht voor vandaag, maar laten hen vernieuwen de strijd hierna tot zij omringen de noodlot van Ilius, aangezien u godin hebben maken omhoog uw mening te vernietigen de stad.“
_ en Minerva antwoorden, „zo zij het, ver-Darter; _ het in dit mening dat IK komen onderaan van Olympus aan de Trojans en Achaeans. _ ver*tellen me, dan, hoe u voor:stellen te beëindigen dit huidig be*strijden?“
_ Apollo, zoon van Jove, antwoorden, „laten ons op:roepen groot Hector te uit:dagen iemand van de Danaans in enig gevecht; _ op dit de Achaeans shamed in vinden een mens die be*strijden hem.“
_ Minerva goed:keuren, en Helenus zoon van Priam divined de advies van de god; _ hij daarom uit:gaan aan Hector en zeggen, „Hector zoon van Priam, edele van god in advies, IK uw broer, laten me toen overreden u. _ bieden de ander Trojans en Achaeans allemaal nemen hun zetel, en uit:dagen de best mens onder de Achaeans te ontmoeten u in enig gevecht. _ IK hebben horen de stem van de ooit-leven god, en de uur van uw noodlot nog niet komen.“
_ Hector blij wanneer hij horen dit zeggen, en gaan binnen onder de Trojans, be*grijpen zijn spear door de midden te houden hen achter, en zij allen zitten neer. _ Agamemnon ook bieden de Achaeans zetten. _ maar Minerva en Apollo, in de gelijkenis van gier, neer:strijken op vader Jove hoog eiken boom, trots van hun mens; _ en de rang zitten dicht uit:strekken samen, overeind zetten met schild en helm en spear. _ zoals wanneer de toe:nemen west wind bont de gezicht van de overzees en de water kweken donker onder het, zo zitten de bedrijf van Trojans en Achaeans op de vlakte. _ en Hector spreken zo:_ -
_ „horen me, Trojans en Achaeans, dat IK kunnen spreken zelfs aangezien IK letten; _ Jove op zijn hoog troon hebben brengen ons eed en overeenkomst aan niets, en aan:kondigen ziek voor allebei van ons, tot u of nemen de toren van Troy, of zelf over*winnen bij uw schip. _ de prins van de Achaeans hier huidig in de midden van u; _ laten hem, dan, dat be*strijden me tribune vooruit als uw kampioen tegen Hector. _ dus IK zeggen, en kunnen Jove getuige tussen ons. _ als uw kampioen doden me, laten hem ont*doen me van mijn pantser en nemen het aan uw schip, maar laten hem ver*zenden mijn lichaam huis dat de Trojans en hun vrouw kunnen geven me mijn rechten van brand wanneer IK dood. _ op gelijkaardige wijze, als Apollo vouchsafe me glorie en IK doden uw kampioen, IK ont*doen hem van zijn pantser en nemen het aan de stad van Ilius, waar IK hangen het in de tempel van Apollo, maar IK op:geven zijn lichaam, dat de Achaeans kunnen be*graven hem bij hun schip, en de bouwstijl hem een hoop door de breed water van de Hellespont. _ dan één zeggen hierna aangezien hij varen zijn schip over de overzees, „dit de monument van die sterven sinds lang een kampioen die doden door machtig Hector.“ _ dus één zeggen, en mijn bekendheid niet verliezen. „
_ dus hij spreken, maar zij allen houden hun vrede, beschaamd te dalen de uitdaging, nog vrezen te goed:keuren het, tot bij laatste Menelaus toe:nemen en be*rispen hen, want hij boos. _ „helaas,“ hij schreeuwen, „verwaand braggarts, vrouw forsooth niet mens, dubbel-verven inderdaad de vlek op ons als geen mens van de Danaans nu onder ogen zien Hector. _ mei u draaien elk mens van u in aarde en water aangezien u zitten spiritless en inglorious in uw plaats. _ IK zelf uit:gaan tegen dit mens, maar de resultaat van de strijd van op hoogte in de hand van de onsterfelijk god.“
_ met deze woord hij zetten op zijn pantser; _ en toen, o Menelaus, uw leven hebben komen aan een eind bij de hand van hand van Hector, want hij ver beter de mens, hebben niet de prins van de Achaeans op:springen op u en controleren u. _ koning Agamemnon vangen hem door de rechts en zeggen, „Menelaus, u gek; _ een bestand aan dit dwaasheid. _ geduldig ondanks hartstocht, niet denken van be*strijden een mens zo veel sterk dan zelf als Hector zoon van Priam, die vrezen door veel andere evenals u. _ zelfs Achilles, die ver meer dapper dan u, krimpen van ontmoeten hem in slag. _ zitten neer uw eigen mensen, en de Achaeans ver*zenden sommige ander kampioen aan strijd Hector; _ onverschrokken en dierbaar van slag hoewel hij, IK ween zijn knie buigen graag onder hem als hij komen uit levend van de hurly-fors van dit strijd.“
_ met deze woord van redelijk advies hij overreden zijn broer, waarop zijn squires graag ont*doen de pantser van van zijn schouder. _ dan Nestor toe:nemen en spreken, „van een waarheid,“ zeggen hij, „de Achaean land vallen op kwaad tijd. _ de oud ridder Peleus, adviseur en orator onder de Myrmidons, houden wanneer IK in zijn huis te vragen me betreffende de ras en lineage van alle de Argives. _ hoe het niet grieve hem kunnen hij ver*nemen hen zoals nu quailing vóór Hector? _ veel een tijd hij op:heffen van hem in:dienen gebed dat zijn ziel kunnen ver*laten zijn lichaam en gaan neer binnen de huis van Hades. _, door vader Jove, Minerva, en Apollo, dat IK nog jong en sterk zoals wanneer de Pylians en Arcadiér verzamelen in strijd door de snel rivier Celadon onder de muur van Pheia, en rond de water van de rivier Iardanus. _ de godlike held Ereuthalion be*vinden vooruit als hun kampioen, met de pantser van koning Areithous op zijn schouder Areithous die mens en vrouw hebben geven „de foelie-mens,“ omdat hij be*strijden noch met boog noch spear, maar breken de bataljon van de vijand met zijn ijzer foelie. _ Lycurgus doden hem, niet in eerlijk strijd, maar door vangen hem in een smal manier waar zijn foelie dienen hem in geen plaats; _ want Lycurgus ook snel voor hem en speared hem door de midden, zodat hij vallen aan aarde op zijn rug. _ Lycurgus toen bederven hem van de pantser dat Mars hebben geven hem, en dragen het in slag thenceforward; _ maar wanneer hij kweken oud en blijven thuis, hij geven het aan zijn gelovig squire Ereuthalion, die in dit zelfde pantser uit:dagen de belangrijkste mens onder ons. _ de andere schokken en quailed, maar mijn hoog geest bieden me be*strijden hem hoewel niets andere wagen; _ IK de jong mens van hen allen; _ maar wanneer IK be*strijden hem Minerva vouchsafed me overwinning. _ hij de groot en sterk mens dat ooit IK doden, en be*handelen veel grond aangezien hij leggen uit:spreiden op de aarde. _ dat IK nog jong en sterk aangezien IK toen, voor de zoon van Priam toen spoedig vinden die onder ogen zien hem. _ maar u, belangrijkste onder de geheel gastheer hoewel u, hebben niets van u om het even welk maag voor be*strijden Hector. „
_ dus doen de oud mens be*rispen hen, en onmiddellijk negen mens beginnen aan hun voet. _ belangrijkste van alle uprose koning Agamemnon, en na hem moedig Diomed de zoon van Tydeus. _ daarna de twee Ajaxes, mens kleden in valour zoals met een kledingstuk, en toen Idomeneus, en Meriones zijn wapenbroeder in wapen. _ na deze Eurypylus zoon van Euaemon, Thoas de zoon van Andraemon, en Ulysses ook toe:nemen. _ dan Nestor ridder van Gerene opnieuw spreken, zeggen: _ „gieten partij onder u te zien wie kiezen. _ als hij komen levend uit dit strijd hij hebben doen goed dienst gelijk aan zijn eigen ziel en aan de Achaeans.“
_ dus hij spreken, en wanneer elk van hen hebben merken zijn partij, en hebben werpen het in de helm van Agamemnon zoon van Atreus, de mensen op:heffen hun in:dienen gebed, en zo één van hen zeggen aangezien hij onder*zoeken de kluis van hemel, „vader Jove, toelage dat de partij daling op Ajax, of op de zoon van Tydeus, of op de koning van rijk Mycene zelf.“
_ aangezien zij spreken, Nestor ridder van Gerene schudden de helm, en van het daar vallen de eigenlijk partij dat zij willen de partij van Ajax. _ de aan:kondigen dragen het ongeveer en tonen het aan alle de leider van de Achaeans, gaan van links naar rechts; _ maar zij niets van van hen be*zitten het. _ wanneer, nochtans, te zijner tijd hij be*reiken de mens die hebben schrijven op het en hebben zetten het in de helm, moedig Ajax stand:houden zijn hand, en de aan:kondigen geven hem de partij. _ wanneer Ajax zien hem merken hij kennen het en blij; _ hij werpen het aan de grond en zeggen, „mijn vriend, de partij mijn, en IK verheugen, voor IK over*winnen Hector. _ IK zetten op mijn pantser; _ ondertussen, bidden aan koning Jove in stilte onder zich dat de Trojans kunnen niet horen u of hardop als u, want wij vrezen geen mens. _ niets over*winnen me, noch door kracht noch sluwheid, want IK geboren en kweken in salami, en kunnen houden mijn in alle ding.“
_ met dit zij vallen bidden aan koning Jove de zoon van Saturnus, en zo één van hen zeggen aangezien hij onder*zoeken de kluis van hemel, „vader Jove dat rulest van Ida, het meest glorious in macht, vouchsafe overwinning aan Ajax, en laten hem winnen groot glorie: _ maar als u wensen goed aan Hector ook en be*schermen hem, toelage aan elk van hen gelijk bekendheid en dapperheid.
_ dus zij bidden, en Ajax be*wapenen zich in zijn kostuum van gleaming brons. _ wanneer hij in volledig serie hij op:springen vooruit als monsterlijk Mars wanneer hij deel:nemen onder mens die Jove hebben plaatsen be*strijden met elkaar maar toch doen reusachtig Ajax, bolwerk van de Achaeans, lente vooruit met een onverbiddelijk glimlach op zijn gezicht aangezien hij brandished zijn lang spear en strode voorwaarts. _ de Argives verrukt aangezien zij beheld hem, maar de Trojans beven in elk lidmaat, en de hart zelfs van Hector slaan snel, maar hij kunnen niet nu terug:gaan en terug:trekken in de rang achter hem, want hij hebben de uitdager. _ Ajax komen op dragen zijn schild voor hem als een muur een schild van brons met zeven vouw van oxhide- de werk van Tychius, die leven in Hyle en veruit de best arbeider in leer. _ hij hebben maken het met de huid van zeven goed doorvoed stier, en over deze hij hebben plaatsen een achtste laag van brons. _ houden dit schild vóór hem, Ajax zoon van Telamon komen dicht tot Hector, en menaced hem zeggen, „Hector, u nu leren, van man tot man, welk soort van kampioen de Danaans hebben onder hen zelfs naast lion-hearted Achilles mes van de rang van mens. _ hij nu ver*blijven bij de schip in woede met Agamemnon herder van zijn mensen, maar daar velen van ons die goed bekwaam te onder ogen zien u; _ daarom beginnen de strijd.“
_ en Hector antwoorden, „edel Ajax, zoon van Telamon, kapitein van de gastheer, be*handelen me niet alsof IK sommige puny jongen of vrouw dat niet kunnen be*strijden. _ IK hebben lang gebruiken aan de bloed en slachterij van slag. _ IK snel te draaien mijn leathern schild of aan juist of linker, want dit IK achten de belangrijkst ding in slag. _ IK kunnen laden onder de blokkenwagen en horsemen, en in hand aan hand be*strijden kunnen ver*rukken de hart van Mars; _ howbeit IK niet nemen zulk een mens aangezien u van zijn wacht maar IK smite u openlijk als IK kunnen.“
_ hij in evenwicht houden zijn spear aangezien hij spreken, en slingeren het van hem. _ het slaan de zevenvoudig schild in zijn buitenste laag de achtste, dat van brons en gaan door zes van de laag maar in de zevende huid het blijven. _ dan Ajax werpen in zijn draai, en slaan de rond schild van de zoon van Priam. _ de vreselijk spear gaan door zijn gleaming schild, en drukken voorwaarts door zijn cuirass van sluw vakmanschap; _ het door*dringen de overhemd tegen zijn kant, maar hij af:wijken en zo bewaren zijn leven. _ zij toen elk van hen trekken uit de spear van zijn schild, en vallen elkaar als primitief leeuw of wild everzwijn van groot sterkte en duurzaamheid: _ de zoon van Priam slaan de midden van Ajax schild, maar de brons niet breken, en de punt van zijn pijltje draaien. _ Ajax toen op:springen vooruit en door*dringen de schild van Hector; _ de spear gaan door het en wankelen hem aangezien hij op:springen vooruit te aan:vallen; _ het kerven zijn hals en de bloed komen gieten van de wond, maar maar toch Hector niet op:houden be*strijden; _ hij geven grond, en met zijn gespierd hand grijpen een steen, ruw en reusachtig, dat liggen op de vlakte; _ met dit hij slaan de schild van Ajax op de werkgever dat in zijn midden, zodat de brons bellen opnieuw. _ maar Ajax beurtelings in:halen een ver groot steen, slingeren het omhoog, en slingeren het met wonderbaarlijk kracht. _ dit molensteen van een rots breken Hector schild binnenwaarts en werpen hem neer op zijn rug met de schild verpletteren hem onder het, maar Apollo op:heffen hem meteen. _ daarop zij hebben hakken bij elkaar in dicht gevecht met hun zwaard, hebben niet aan:kondigen, boodschapper van god en mens, komen vooruit, van de Trojans en de andere van de Achaeans- Talthybius en Idaeus beiden eerbaar mens; _ deze scheiden hen met hun staaf, en de goed aan:kondigen Idaeus zeggen, „mijn zoon, strijd niet meer, u zowel van u moedig, en allebei beste aan Jove; _ wij kennen dit; _ maar nacht nu vallen, en de opdracht van nacht kunnen niet goed gainsaid.“
_ Ajax zoon van Telamon antwoorden, „Idaeus, bod Hector zeggen zo, voor het hij dat uit:dagen ons prins. _ laten hem spreken eerst en IK goed:keuren zijn zeggen.“
_ dan Hector zeggen, „Ajax, hemel hebben vouchsafed u gestalte en sterkte, en oordeel; _ en in hanteren de spear u uit:blinken alle andere van de Achaeans. _ laten ons want dit dag op:houden be*strijden; _ hierna wij be*strijden opnieuw tot hemel beslissen tussen ons, en geven overwinning aan één of aan de andere; _ nacht nu vallen, en de opdracht van nacht kunnen niet goed gainsaid. _ Gladden, toen, de hart van de Achaeans bij uw schip, en meer vooral die van uw eigen aanhanger en lid van een clan, terwijl I, in de groot stad van koning Priam, brengen comfort aan de Trojans en hun vrouw, die vie met elkaar in hun gebed op mijn naam. _ laten ons, bovendien, uitwisseling voor:stellen dat het kunnen zeggen onder de Achaeans en Trojans, „zij be*strijden met kunnen en belangrijkst, maar ver*zoenen en scheiden in vriendschap.“
_ op dit hij geven Ajax een zilveren-be*slaan zwaard met zijn schede en leathern baldric, en in ruil daarvoor Ajax geven hem een gordel verven met purple. _ dus zij scheiden, de gaan aan de gastheer van de Achaeans, en de andere aan dat van de Trojans, die verheugen wanneer zij zien hun held komen aan hen veilig en unharmed van de sterk hand van machtig Ajax. _ zij leiden hem, daarom, aan de stad als dat hebben bewaren voorbij hun hoop. _ op de ander kant de Achaeans brengen Ajax verrukt met overwinning aan Agamemnon.
_ wanneer zij be*reiken de kwart van de zoon van Atreus, Agamemnon offeren voor hen een vijf-jaar-oud stier ter ere van Jove de zoon van Saturnus. _ zij flayed de karkas, maken het klaar, en ver*delen het in verbinding; _ deze zij snijden zorgvuldig omhoog in klein stuk, zetten hen op de spit, roosteren hen voldoende, en toen trekken hen weg. _ wanneer zij hebben doen dit alles en hebben voor:bereiden de feest, zij eten het, en elk mens hebben zijn volledig en gelijk aandeel, zodat allen tevreden:stellen, en koning Agamemnon geven Ajax sommige plak snijden in de lengte neer de lendestuk, als een teken van speciaal eer. _ zodra zij hebben hebben genoeg aan kat en drank, oud Nestor wiens advies ooit waar beginnen te spreken; _ met alle sincerity en goodwill, daarom, hij richten hen zo:_ -
_ „zoon van Atreus, en ander leider, aangezien velen van de Achaeans nu dood, wiens bloed Mars hebben af:werpen door de bank van de Scamander, en hun ziel hebben gaan neer aan de huis van Hades, het goed wanneer ochtend komen dat wij moeten op:houden be*strijden; _ wij toen rijden ons doden samen met os en muilezel en branden hen niet ver van de schip, dat wanneer wij varen vandaar wij kunnen nemen de been van ons kameraad huis aan hun kind. _ hard door de begrafenis pyre wij bouwen een kruiwagen dat op:heffen van de vlakte voor allen in gemeenschappelijk; _ dichtbij dit laten ons plaatsen ongeveer bouwen een hoog muur, te be*schutten ons en ons schip, en laten het hebben well-made poort dat daar kunnen een manier door hen voor ons blokkenwagen. _ dicht buitenkant wij graven een diep geul alle ronde het te op een afstand houden zowel paard en voet, dat de Trojan leider kunnen niet dragen hard op ons.“
_ dus hij spreken, en de prinses schreeuwen in applaus. _ ondertussen de Trojans houden een raad, boos en volledig van onenigheid, op de acropolis door de poort van koning Priam palace; _ en wijs Antenor spreken. _ „horen me hij zeggen, „Trojans, Dardanians, en bondgenoot, dat IK kunnen spreken zelfs aangezien IK letten. _ laten ons op:geven Argive Helen en haar rijkdom aan de zoon van Atreus, want wij nu be*strijden in schending van ons plechtig overeenkomst, en niet bloeien tot wij hebben doen aangezien IK zeggen.“
_ hij toen zitten neer en Alexandrus echtgenoot van mooi Helen toe:nemen te spreken. _ „Antenor,“ zeggen hij, „uw woord niet aan mijn houden; _ u kunnen vinden een beter zeggen dan dit als u; _ als, nochtans, u hebben spreken in goed ernstig, dan inderdaad hebben hemel roven u van uw reden. _ IK spreken ronduit, en hierbij mee:delen aan de Trojans dat IK niet op:geven de vrouw; _ maar de rijkdom dat IK brengen naar huis met haar van Argos IK her*stellen, en toe:voegen nog verder van mijn.“
_ op dit, wanneer Parijs hebben spreken en nemen zijn zetel, Priam van de ras van Dardanus, edele van god in raad, toe:nemen en met alle sincerity en goodwill richten hen zo: _ „horen me, Trojans, Dardanians, en bondgenoot, dat IK kunnen spreken zelfs aangezien IK letten. _ krijgen uw avondmaal nu zoals tot nu toe door de stad, maar houden uw horloge en wakeful. _ bij daybreak laten Idaeus gaan aan de schip, en ver*tellen Agamemnon en Menelaus zoon van Atreus de zeggen van Alexandrus door die dit ruzie hebben komen over; _ en laten hem ook onmiddellijk met hen dat zij nu op:houden be*strijden tot wij branden ons doden; _ hierna wij be*strijden opnieuw, tot hemel beslissen tussen ons en geven overwinning aan één of aan de andere.“
_ dus hij spreken, en zij zelfs aangezien hij hebben zeggen. _ zij nemen avondmaal in hun bedrijf en bij daybreak Idaeus gaan zijn wa aan de schip. _ hij vinden de Danaans, bediende van Mars, in raad bij de achtersteven van Agamemnon schip, en nemen zijn plaats in de midden van hen. _ „zoon van Atreus,“ hij zeggen, „en prins van de Achaean gastheer, Priam en de ander edel Trojans hebben ver*zenden me te ver*tellen u de zeggen van Alexandrus door die dit ruzie hebben komen ongeveer, als zo dat u kunnen vinden het aanvaardbaar. _ alle de schat hij nemen met hem in zijn schip aan Troy- dat hij hebben spoedig om:komen hij her*stellen, en toe:voegen nog verder van zijn, maar hij niet op:geven de wedded vrouw van Menelaus, hoewel de Trojans hebben hem doen zo. _ Priam bieden me onder*zoeken verder als u op:houden be*strijden tot wij branden ons doden; _ hierna wij be*strijden opnieuw, tot hemel beslissen tussen ons en geven overwinning aan één of aan de andere.“
_ zij allen houden hun vrede, maar weldra Diomed van de luid oorlog-schreeuw spreken, zeggen, „laten daar geen nemen, noch schat, noch nog Helen, want zelfs een kind kunnen zien dat de noodlot van de Trojans dichtbij.“
_ de zoon van de Achaeans schreeuwen applaus bij de woord dat Diomed hebben spreken, en daarop koning Agamemnon zeggen aan Idaeus, „Idaeus, u hebben horen de antwoord de Achaeans maken u-en I met hen. _ maar als be*treffen de doden, IK geven u verlof te branden hen, voor wanneer mens zodra doden daar moeten geen mis*gunnen hen de rite van brand. _ laten Jove de machtig echtgenoot van Juno getuige aan dit overeenkomst.“
_ aangezien hij spreken hij be*vestigen zijn sceptre in de gezicht van alle de god, en Idaeus terug:gaan aan de sterk stad van Ilius. _ de Trojans en Dardanians verzamelen in raad wachten zijn terugkeer; _ wanneer hij komen, hij be*vinden in hun midden en leveren zijn bericht. _ zodra zij horen het zij plaatsen ongeveer hun tweevoudig arbeid, wat te verzamelen de corpses, en andere te brengen in hout. _ de Argives op hun deel ook ver*haasten van hun schip, wat te verzamelen de corpses, en andere te brengen in hout.
_ de zon beginnen te slaan op de gebied, vers toe:nemen in de kluis van hemel van de langzaam nog stroom van diep Oceanus, wanneer de twee leger met. _ zij kunnen nauwelijks er*kennen hun doden, maar zij wassen de klonteren meridiaanvlak van van hen, loods scheur over hen, en op:heffen hen op hun wagen. _ Priam hebben ver*bieden de Trojans aan wail hardop, zodat zij op:hopen hun doden droevig en stil op de pyre, en hebben branden hen terug:gaan aan de stad van Ilius. _ de Achaeans op gelijkaardige wijze op:hopen hun doden droevig en stil op de pyre, en hebben branden hen terug:gaan aan hun schip.
_ nu in de twilight wanneer het nog niet dageraad, kiezen band van de Achaeans verzamelen om de pyre en bouwen één kruiwagen dat op:heffen in gemeenschappelijk voor allen, en hard door dit zij bouwen een hoog muur te be*schutten zich en hun schip; _ zij geven het sterk poort dat daar kunnen een manier door hen voor hun blokkenwagen, en dicht buiten het zij graven een geul diep en wijd, en zij planten het binnen met staak.
_ dus doen de Achaeans zware arbeid, en de god, zetten door de kant van Jove de Lord van bliksem, verwonderen bij hun groot werk; _ maar Neptunus, Lord van de aardbeving, spreken, zeggen, „vader Jove, welk dodelijk in de geheel wereld opnieuw nemen de god in zijn advies? _ zien u niet hoe de Achaeans hebben bouwen een muur over hun schip en drijven een geul alle ronde het, zonder aan:bieden hecatombs aan de god? _ de de bekendheid van dit muur be*reiken zover als dageraad zelf, en mens niet meer denken om het even wat van de dat Phoebus Apollo en zelf bouwen met zo veel arbeid voor Laomedon.“
_ Jove displeased en antwoorden, „wat, o schudbeker van de aarde, u spreken over? _ EEN god minder krachtig dan zelf kunnen alarmeren bij wat zij doen, maar uw bekendheid be*reiken zover als dageraad zelf. _ zeker wanneer de Achaeans hebben gaan naar huis met hun schip, u kunnen ver*brijzelen hun muur en bellen het in de overzees; _ u kunnen be*handelen de strand met zand opnieuw, en de groot muur van de Achaeans toen volkomen effaced.“
_ dus zij converseren, en door zonsondergang de werk van de Achaeans vol*tooien; _ zij toen slachten os bij hun tent en krijgen hun avondmaal. _ veel schip hebben komen met wijn van Lemnos, ver*zenden door Euneus de zoon van Jason, geboren aan hem door Hypsipyle. _ de zoon van Jason bevrachten hen met tien duizend maatregel van wijn, dat hij ver*zenden speciaal aan de zoon van Atreus, Agamemnon en Menelaus. _ van dit levering de Achaeans kopen hun wijn, wat met brons, wat met ijzer, wat met huid, wat met geheel vaars, en wat opnieuw met gevangene. _ zij uit:spreiden een goodly banket en feesten de geheel nacht door, zoals ook de Trojans en hun bondgenoot in de stad. _ maar de hele tijd Jove voor*spellen hen ziek en brullen met zijn portentous donder. _ bleek vrees krijgen greep op hen, en zij morsen de wijn van hun kop op de grond, noch om het even welk durven drinken tot hij hebben maken dienstenaanbod aan de het meest machtig zoon van Saturnus. _ dan zij leggen zich neer aan rest en genieten de zegen van slaap.
_ | _ boek VI _ | _ Homerus _ | _ boek VIII _ |