
_ schrijven 800 BC.
_ ver*talen door Samuel Butler
_ | _ boek IX _ | _ Homerus _ | _ boek XI _ |
_ nu de ander prins van de Achaeans slapen gezond de geheel nacht door, maar Agamemnon zoon van Atreus veront*rusten, zodat hij kunnen krijgen geen rest. _ zoals wanneer eerlijk Juno Lord flits zijn bliksem in teken van groot regen of hagel of sneeuw wanneer de sneeuwvlok witten de grond, of opnieuw als een teken dat hij openen de breed kaak van hongerig oorlog, maar toch doen Agamemnon ruk veel een zwaar sigh, voor zijn ziel beven binnen hem. _ wanneer hij kijken op de vlakte van Troy hij verwonderen bij de veel watchfires branden voor Ilius, en bij de geluid van pijp en fluit en van de gezoem van mens, maar wanneer weldra hij draaien naar de schip en gastheer van de Achaeans, hij scheuren zijn haar door handvol vóór Jove op hoogte, en kreunen hardop voor de eigenlijk disquietness van zijn ziel. _ in de eind hij achten het best te gaan meteen aan Nestor zoon van Neleus, en zien als tussen hen zij kunnen vinden om het even welk manier van de Achaeans van vernietiging. _ hij daarom toe:nemen, zetten op zijn overhemd, binden zijn sandals over zijn aantrekkelijk voet, gooien de huid van een reusachtig tawny leeuw over zijn schouder een huid dat be*reiken zijn voet en nemen zijn spear in zijn hand.
_ noch kunnen Menelaus slapen, want hij, ook, voor*spellen ziek voor de Argives die voor zijn belang hebben varen van ver over de overzees te be*strijden de Trojans. _ hij be*handelen zijn breed terug met de huid van een be*vlekken panther, zetten een casque van brons op zijn hoofd, en nemen zijn spear in zijn gespierd hand. _ dan hij gaan te op:wekken zijn broer, die veruit de het meest krachtig van de Achaeans, en eren door de mensen alsof hij een god. _ hij vinden hem door de achtersteven van zijn schip reeds zetten zijn goodly serie over zijn schouder, en juist blij hij dat zijn broer hebben komen.
_ Menelaus spreken eerst. _ „waarom,“ zeggen hij, „mijn beste broer, u zo be*wapenen? _ u gaan te ver*zenden om het even welk van ons kameraad te prestatie de Trojans? _ IK zeer vrezen dat niemand doen u dit dienst, en spion op de vijand alleen in de doden van nacht. _ het een akte van groot durven.“
_ en koning Agamemnon antwoorden, „Menelaus, wij zowel van ons behoefte shrewd advies te bewaren de Argives en ons schip, voor Jove hebben veranderen zijn mening, en neigen naar Hector offer eerder dan van ons. _ IK nooit zien noch horen ver*tellen van om het even welk mens zoals hebben vervaardigd dergelijk ruïne in één dag aangezien Hector hebben nu vervaardigd tegen de zoon van de Achaeans- en dat ook van zijn eigen zonder hulp zelf, want hij zoon noch aan god noch godin. _ de Argives rue het lang en diep. _ looppas, daarom, met alle snelheid door de lijn van de schip, en vraag Ajax en Idomeneus. _ ondertussen IK gaan aan Nestor, en bieden hem toe:nemen en gaan ongeveer onder de bedrijf van ons schildwacht te geven hen hun instructie; _ zij luisteren aan hem spoedig dan aan om het even welk mens, voor zijn eigen zoon, en Meriones wapenbroeder in wapen aan Idomeneus, kapitein over hen. _ het aan hen meer in het bijzonder dat wij geven dit last.“
_ Menelaus antwoorden, „hoe IK nemen uw betekenis? _ I te blijven met hen en wachten uw komen, of IK terug:keren hier zodra IK hebben geven uw orde?“ _ „wachten,“ antwoorden koning Agamemnon, „voor daar zo veel weg over de kamp dat wij kunnen missen elkaar. _ roepen elk mens op uw manier, en bieden hem be*wegen; _ noemen hem door zijn lineage en door zijn vader naam, geven elk alle titular naleving, en tribune niet teveel op uw eigen waardigheid; _ wij moeten nemen ons volledig aandeel van zware arbeid, want bij ons geboorte Jove leggen dit zwaar last op ons.“
_ met deze instructie hij ver*zenden zijn broer op zijn manier, en gaan op Nestor herder van zijn mensen. _ hij vinden hem slaap in zijn tent hard door zijn eigen schip; _ zijn goodly pantser leggen naast hem zijn schild, zijn twee spears en zijn helm; _ naast hem ook leggen de gleaming gordel met dat de oud mens girded zich wanneer hij be*wapenen te leiden zijn mensen in slag voor zijn leeftijd blijven hem niet. _ hij op:heffen zich op zijn elleboog en kijken omhoog bij Agamemnon. _ „Who het,“ zeggen hij, „dat gaan zo over de gastheer en de schip alleen en in de doden van nacht, wanneer mens slapen? _ u zoeken één van uw muilezel of voor sommige kameraad? _ niet be*vinden daar en zeggen niets, maar spreken. _ wat uw zaken?“
_ en Agamemnon antwoorden, „Nestor, zoon van Neleus, eer aan de Achaean naam, het I, Agamemnon zoon van Atreus, op die Jove hebben leggen arbeid en verdriet mits daar adem in mijn lichaam en mijn lidmaat dragen me. _ IK zo in het buitenland omdat slaap zitten niet op mijn ooglid, maar mijn hart groot met oorlog en met de gevaar van de Achaeans. _ IK in groot vrees voor de Danaans. _ IK op zee, en zonder zeker advies; _ mijn hart slaan alsof het springen uit mijn lichaam, en mijn lidmaat ont*breken me. _ als toen u kunnen doen om het even wat voor u ook niet kunnen slapen laten ons gaan de ronde van de horloge, en zien of zij slaperig met zware arbeid en slaap aan de verwaarlozing van hun plicht. _ de vijand encamped hard en wij kennen niet maar hij kunnen aan:vallen ons 's nachts.“
_ Nestor antwoorden, „meeste edel zoon van Atreus, koning van mens, Agamemnon, Jove niet doen allen want Hector dat Hector denken hij; _ hij hebben probleem nog in overvloed als Achilles leggen opzij zijn woede. _ IK gaan met u, en wij op:wekken andere, of de zoon van Tydeus, of Ulysses, of vloot Ajax en de moedig zoon van Phyleus. _ iemand hebben ook beter gaan en roepen Ajax en koning Idomeneus, want hun schip niet dichtbij dichtbij maar de verste van allen. _ IK niet kunnen nochtans ont*houden van beschuldigen Menelaus, veel aangezien IK houden hem en eerbiedigen hem en IK zeggen zo ronduit, zelfs op het gevaar af van be*ledigen u voor slapen en ver*laten al dit probleem aan zich. _ hij moeten gaan over af:smeken hulp van alle de prins van de Achaeans, want wij in extreem gevaar.“
_ en Agamemnon antwoorden, „heer, u kunnen soms beschuldigen hem juist, want hij vaak remiss en onwillig te uit:oefenen zich niet inderdaad van sloth, noch nog heedlessness, maar omdat hij kijken aan me en ver*wachten me te nemen de lood. _ op dit gelegenheid, nochtans, hij wakker alvorens IK, en komen aan me van zijn eigen overeenstemming. _ IK hebben reeds ver*zenden hem te roepen de eigenlijk mens die u hebben noemen. _ en nu laten ons gaan. _ wij vinden hen met de horloge buiten de poort, voor het daar IK zeggen dat wij ontmoeten hen.“
_ „in dat geval,“ antwoorden Nestor, „de Argives niet beschuldigen hem noch disobey zijn orde wanneer hij aan:sporen hen te be*strijden of geven hen instructie.“
_ met dit hij zetten op zijn overhemd, en binden zijn sandals over zijn aantrekkelijk voet. _ hij ont*zetten op zijn purper laag, van twee dikte, groot, en van een ruw shaggy textuur, be*grijpen zijn redoubtable brons-schoeien spear, en wended zijn manier langs de lijn van de Achaean schip. _ eerst hij roepen luid aan Ulysses edele van god in advies en wekken hem, want hij spoedig op:wekken door de geluid van de slag-schreeuw. _ hij komen buiten zijn tent en zeggen, „waarom u gaan zo alleen over de gastheer, en langs de lijn van de schip in de stilte van de nacht? _ wat het dat u vinden zo dringend?“ _ en Nestor ridder van Gerene antwoorden, „Ulysses, edel zoon van Laertes, nemen het niet verkeerd, want de Achaeans in groot Detroit. _ komen met me en laten ons wekken sommige andere, die kunnen adviseren goed met ons of wij be*strijden of vliegen.“
_ op dit Ulysses gaan meteen in zijn tent, zetten zijn schild over zijn schouder en komen uit met hen. _ eerst zij gaan aan Diomed zoon van Tydeus, en vinden hem buiten zijn tent bekleed in zijn pantser met zijn kameraad slapen om hem en gebruiken hun schild als hoofdkussen; _ zoals voor hun spears, zij be*vinden rechtop op de aar van hun uiteinde dat drijven in de grond, en de polijsten brons op:vlammen afar als de bliksem van vader Jove. _ de held slapen op de huid van een os, met een stuk van fijn tapijt onder zijn hoofd; _ Nestor uit:gaan aan hem en be*wegen hem met zijn hiel te op:wekken hem, ver*wijten hem en aan:sporen hem aan bestir zelf. _ „kielzog omhoog,“ hij uit:roepen, „zoon van Tydeus. _ hoe kunnen u slapen op op deze wijze? _ kunnen u niet zien dat de Trojans encamped op de brow van de vlakte hard door ons schip, met maar wat ruimte tussen ons en hen?“
_ op deze woord Diomed springen omhoog onmiddellijk en zeggen, „oud mens, uw hart van ijzer; _ u rusten niet één ogenblik van uw werken. _ daar geen jong mens onder de Achaeans die kunnen gaan ongeveer te op:wekken de prins? _ daar geen ver*moeien u.“
_ en Nestor ridder van Gerene maken antwoord, „mijn zoon, dat alles u hebben zeggen waar. _ IK hebben goed zoon, en ook veel mensen die kunnen roepen de leider, maar de Achaeans in de ernstig gevaar; _ leven en dood in evenwicht brengen aangezien het op de rand van een scheermes. _ gaan toen, want u jong dan IK, en van uw hoffelijkheid op:wekken Ajax en de vloot zoon van Phyleus.“
_ Diomed werpen de huid van een groot tawny leeuw over zijn schouder een huid dat be*reiken zijn voet en be*grijpen zijn spear. _ wanneer hij hebben op:wekken de held, hij brengen hen terug met hem; _ zij toen gaan de ronde van die die op wacht, en vinden de kapitein niet slapen bij hun post maar wakeful en zitten met hun wapen over hen. _ als schaap hond dat letten hun troep wanneer zij yarded, en horen een wild dier komen door de berg bos naar hen onmiddellijk daar een tint en schreeuw van hond en mens, en sluimer breken maar toch slaap achter*volgen van de oog van de Achaeans aangezien zij houden de horloge van de slecht nacht, want zij draaien constant naar de vlakte wanneer zij horen om het even welk be*wegen onder de Trojans. _ de oud mens blij bieden hen van goed cheer. _ „horloge, mijn kind,“ zeggen hij, „en laten niet slaap krijgen greep op u, tenzij ons vijand zegevieren over ons.“
_ met dit hij over:gaan de geul, en met hem de ander leider van de Achaeans die hebben roepen aan de raad. _ Meriones en de moedig zoon van Nestor gaan ook, want de prins bieden hen. _ wanneer zij voorbij de geul dat graven om de muur zij houden hun vergadering op de open grond waar daar een ruimte duidelijk van corpses, voor het hier dat wanneer nacht vallen Hector hebben draaien terug van zijn aanval op de Argives. _ zij zitten neer, daarom, en houden debat met elkaar.
_ Nestor spreken eerst. _ „mijn vriend,“ zeggen hij, „daar om het even welk mens vette letters genoeg te wagen de Trojans, en af:snijden sommige straggler, of ons nieuws van wat de vijand be*tekenen te doen of zij blijven hier door de schip vanaf de stad, of of, nu zij hebben worsted de Achaeans, zij terug:trekken binnen hun muur. _ als hij kunnen leren dit alles en terug:komen veilig hier, zijn bekendheid hoog als hemel in de mond van alle mens, en hij be*lonen rijk; _ voor de leider van alle ons schip elk van hen geven hem een zwart ooi met haar lam dat een heden van over*treffen waarde en hij vragen als een gast aan alle feest en clan-gatherings.“
_ zij allen houden hun vrede, maar Diomed van de luid oorlog-schreeuw spreken zeggen, „Nestor, graag IK be*zoeken de gastheer van de Trojans over tegen ons, maar als andere gaan met me IK doen zo in groot vertrouwen en comfort. _ wanneer twee mens samen, één van hen kunnen zien sommige kans dat de andere hebben niet vangen gezicht van; _ als een mens alleen hij minder volledig van middel, en zijn verstand zwak.“
_ op dit verscheidene aan:bieden te gaan met Diomed. _ de twee Ajaxes, bediende van Mars, Meriones, en de zoon van Nestor allen willen te gaan, zo doen Menelaus zoon van Atreus; _ Ulysses ook wensen te gaan onder de gastheer van de Trojans, want hij ooit volledig van durven, en daarop Agamemnon koning van mens spreken zo: _ „Diomed,“ zeggen hij, „zoon van Tydeus, mens na mijn eigen hart, kiezen uw kameraad voor zich nemen de best mens van die dat hebben aan:bieden, voor velen nu gaan met u. _ niet door delicatesse weigering de beter mens, en nemen de slecht uit eerbied voor zijn lineage, omdat hij van meer koninklijk bloed.“
_ hij zeggen dit omdat hij vrezen voor Menelaus. _ Diomed antwoorden, „als u bieden me nemen de mens van mijn eigen keus, hoe in dat geval kunnen IK ont*breken te denken van Ulysses, dan wie daar geen mens meer enthousiast te onder ogen zien alle soort van gevaar en Pallas Minerva houden hem goed? _ als hij te gaan met me wij moeten over:gaan veilig door brand zelf, want hij snel te zien en be*grijpen.“
_ „zoon van Tydeus,“ antwoorden Ulysses, „zeggen noch goed noch ziek over me, voor u onder Argives die kennen me goed. _ laten ons gaan, voor de nacht verval en dageraad dichtbij. _ de ster hebben gaan vooruit, tweederden van de nacht reeds besteden, en de derde alleen ver*laten ons.“
_ zij toen zetten op hun pantser. _ moedig Thrasymedes ver*strekken de zoon van Tydeus met een zwaard en een schild (voor hij hebben ver*laten zijn bij zijn schip) en op zijn hoofd hij plaatsen een helm van stier huid zonder of piek of kam; _ het roepen een schedel-GLB en een gemeenschappelijk hoofddeksel. _ Meriones vinden een boog en trillen voor Ulysses, en op zijn hoofd hij plaatsen een leathern helm dat voeren met een sterk vlechten van leathern thongs, terwijl op de buitenkant het dik be*slaan met beer tand, goed en vakkundig plaatsen in het; _ daarna de hoofd daar een binnen voering van voelen. _ dit helm hebben stelen door Autolycus uit Eleon wanneer hij breken in de huis van Amyntor zoon van Ormenus. _ hij geven het aan Amphidamas van Cythera te nemen aan Scandea, en Amphidamas geven het als een gast-gift aan Molus, die geven het aan zijn zoon Meriones; _ en nu het plaatsen op de hoofd van Ulysses.
_ wanneer de paar hebben be*wapenen, zij op:stellen, en links de ander leider achter hen. _ Pallas Minerva ver*zenden hen een heron door de wegkant op hun rechterkant; _ zij kunnen niet zien het voor de duisternis, maar zij horen zijn schreeuw. _ Ulysses blij wanneer hij horen het en bidden aan Minerva: _ „horen me,“ hij schreeuwen, „dochter van aegis-dragen Jove, u die spioneren uit alle mijn manier en die met me in alle mijn ontbering; _ befriend me in dit mijn uur, en toelage dat wij kunnen terug:keren aan de schip be*handelen met glorie na hebben bereiken sommige machtig prestatie dat brengen verdriet aan de Trojans.“
_ dan Diomed van de luid oorlog-schreeuw ook bidden: _ „horen me ook,“ zeggen hij, „dochter van Jove, unweariable; _ met me zelfs aangezien u met mijn edel vader Tydeus wanneer hij gaan aan Thebes als gezant ver*zenden door de Achaeans. _ hij ver*laten de Achaeans door de bank van de rivier Aesopus, en gaan aan de stad dragen een bericht van vrede aan de Cadmeians; _ op zijn terugkeer vandaar, met uw hulp, godin, hij doen groot akte van durven, want u zijn klaar helper. _ maar toch leiden me en be*waken me nu, en in ruil daarvoor IK aan:bieden u in offer een breed-browed vaars van een éénjarige, ongebroken, en nooit nog brengen door mens onder de juk. _ IK vergulden haar hoorn en aan:bieden haar tot u in offer.“
_ dus zij bidden, en Pallas Minerva horen hun gebed. _ wanneer zij hebben doen bidden aan de dochter van groot Jove, zij gaan hun manier als twee leeuw prowling 's nachts amid de pantser en met bloed bevlekt lichaam van hen dat hebben vallen.
_ geen van beiden opnieuw doen Hector laten de Trojans slaap; _ voor hij ook roepen de prins en raadslid van de Trojans dat hij kunnen plaatsen zijn advies vóór hen. _ „daar één,“ zeggen hij, „wie voor een groot beloning doen me de dienst van dat IK ver*tellen u? _ hij goed be*talen als hij. _ IK geven hem een blokkenwagen en een paar paard, de fleetest dat kunnen vinden bij de schip van de Achaeans, als hij durven dit ding; _ en hij winnen oneindig eer aan laars; _ hij moeten gaan aan de schip en vinden uit of zij nog be*waken zoals hierboven, of of nu wij hebben slaan hen de Achaeans ontwerp te vliegen, en door zuiver uitputting veronachtzamen te houden hun horloge.“
_ zij allen houden hun vrede; _ maar daar onder de Trojans een bepaald mens noemen Dolon, zoon van Eumedes, de beroemd aan:kondigen een mens rijke in goud en brons. _ hij ill-favoured, maar een goed agent, en een enig zoon onder vijf zuster. _ hij het dat nu richten de Trojans. _ „I, Hector,“ zeggen hij, „aan de schip en exploiteren hen. _ maar eerst steunen uw sceptre en zweren dat u geven me de blokkenwagen, bedight met brons, en de paard dat nu dragen de edel zoon van Peleus. _ IK maken u een goed verkenner, en niet ont*breken u. _ IK gaan door de gastheer van één eind aan de andere tot IK komen aan de schip van Agamemnon, waar IK nemen het de prins van de Achaeans nu raadplegen of zij be*strijden of vliegen.“
_ wanneer hij hebben doen spreken Hector steunen zijn sceptre, en zweren hem zijn eed zeggen, „mei Jove de donderen echtgenoot van Juno be*wijzen dat geen andere Trojan maar zelf op:zetten die steeds, en dat u hebben uw wil met hen voor ooit.“
_ de eed hij zweren vergeefs, maar het maken Dolon meer scherp op gaan. _ hij hangen zijn boog over zijn schouder, en aangezien een algemeen hij dragen de huid van een grijs wolf, terwijl op zijn hoofd hij plaatsen een GLB van fret huid. _ dan hij nemen een richten javelin, en ver*laten de kamp voor de schip, maar hij niet te terug:keren met om het even welk nieuws voor Hector. _ wanneer hij hebben ver*laten de paard en de troep achter hem, hij maken alle snelheid op zijn manier, maar Ulysses waar:nemen zijn komen en zeggen aan Diomed, „Diomed, hier iemand van de kamp; _ IK niet zeker of hij een spion, of of het sommige dief die plunderen de lichaam van de doden; _ laten hem krijgen een weinig voorbij ons, wij kunnen toen op:springen op hem en nemen hem. _ als, nochtans, hij ook snel voor ons, gaan na hem met uw spear en om*zomen hem binnen naar de schip vanaf de Trojan kamp, te ver*hinderen zijn krijgen terug naar de stad.“
_ met dit zij blijken van hun manier en be*palen onder de corpses. _ Dolon ver*denken niets en spoedig over:gaan hen, maar wanneer hij hebben ongeveer voor zover de afstand door dat een muilezel-ploegen voor over*schrijden dat hebben ploegen door os (voor muilezel kunnen ploegen braakakker land snel dan os) zij in werking stellen na hem, en wanneer hij horen hun voetstap hij be*vinden nog, want hij ervoor zorgen zij vriend van de Trojan kamp komen door Hector orde te bieden hem terugkeer; _ wanneer, nochtans, zij slechts een spear gieten, of minder weg vormen hem, hij zien dat zij vijand zo snel aangezien zijn been kunnen nemen hem. _ de andere geven jacht meteen, en aangezien een paar goedgetraind hond drukken vooruit na een damhinde of haas dat in werking stellen gillen voor hen, maar toch doen de zoon van Tydeus en Ulysses achter*volgen Dolon en snijden hem weg van zijn eigen mensen. _ maar wanneer hij hebben vluchten tot dusver naar de schip dat hij spoedig hebben vallen in met de buitenpost, Minerva gieten vers sterkte in de zoon van Tydeus voor vrees sommige andere van de Achaeans kunnen hebben de glorie van eerste te raken hem, en hij kunnen zelf slechts tweede; _ hij daarom op:springen vooruit met zijn spear en zeggen, „tribune, of IK werpen mijn spear, en in dat geval IK spoedig maken een eind van u.“
_ hij werpen aangezien hij spreken, maar missen zijn doel op doel. _ de pijltje vliegen over de man juist schouder, en toen plakken in de grond. _ hij be*vinden voorraad nog, beven en in groot vrees; _ zijn tand chattered, en hij draaien bleek met vrees. _ de twee komen ademloos tot hem en grijpen zijn hand, waarop hij beginnen te huilen en zeggen, „nemen me levend; _ IK vrij:laten mij; _ wij hebben groot opslag van goud, brons, en vervaardigd ijzer, en van dit mijn vader tevreden:stellen u met een zeer groot losgeld, moeten hij ver*nemen mijn levend bij de schip van de Achaeans.“
_ „vrees niet,“ antwoorden Ulysses, „laten geen gedachte van dood in uw mening; _ maar ver*tellen me, en ver*tellen me waar, waarom u zo gaan ongeveer alleen in de doden van nacht vanaf uw kamp en naar de schip, terwijl ander mens slapen? _ het te plunderen de lichaam van de doden, of Hector ver*zenden u te spioneren uit wat gaan bij de schip? _ of u komen hier van uw eigen zuiver begrip?“
_ Dolon antwoorden, zijn lidmaat beven onder hem: _ „Hector, met zijn verwaand vleien belofte, ver*lokken me van mijn beter oordeel. _ hij zeggen hij geven me de paard van de edel zoon van Peleus en van hem brons-bedizened blokkenwagen; _ hij bieden me gaan door de duisternis van de vliegen nacht, krijgen dicht bij de vijand, en vinden uit of de schip nog be*waken zoals hierboven, of of, nu wij hebben slaan hen, de Achaeans ontwerp te vliegen, en door zuiver uitputting veronachtzamen te houden hun horloge.“
_ Ulysses glimlachen bij hem en antwoorden, „u hebben inderdaad plaatsen uw hart op een groot beloning, maar de paard van de nakomeling van Aeacus nauwelijks te houden ter beschikking of drijven door een ander dodelijk mens dan Achilles zelf, wiens moeder een onsterfelijk. _ maar ver*tellen me, en ver*tellen me waar, waar u ver*laten Hector wanneer u beginnen? _ waar liggen zijn pantser en zijn paard? _ hoe, ook, de horloge en slaap-grond van de Trojans opdracht geven? _ wat hun plan? _ zij blijven hier door de schip en vanaf de stad, of nu zij hebben worsted de Achaeans, zij terug:trekken binnen hun muur?“
_ en Dolon antwoorden, „IK ver*tellen u echt allen. _ Hector en de ander raadslid nu houden conferentie door de monument van groot Ilus, vanaf de algemeen tumult; _ zoals voor de wacht over dat u vragen me, daar geen kiezen horloge te houden wacht over de gastheer. _ de Trojans hebben hun watchfires, want zij binden te hebben hen; _ zij, daarom, wakker en houden elkaar aan hun plicht als schildwacht; _ maar de bondgenoot die hebben komen van ander plaats in slaap en ver*laten het aan de Trojans te houden wacht, voor hun vrouw en kind niet hier.“
_ Ulysses toen zeggen, „nu ver*tellen me; _ zij slaap onder de Trojan troep, of zij liggen apart? _ ver*klaren dit dat IK kunnen be*grijpen het.“
_ „IK ver*tellen u echt allen,“ antwoorden Dolon. _ „aan de zeewaarts leugen de Carians, de Paeonian bowmen, de Leleges, de Cauconians, en de edel Pelasgi. _ de Lysians en trots Mysians, met de Phrygians en Meonians, hebben hun plaats op de kant naar Thymbra; _ maar waarom vragen over een dit? _ als u willen te vinden uw manier in de gastheer van de Trojans, daar de Thracians, die hebben onlangs komen hier en liggen behalve de andere bij de ver eind van de kamp; _ en zij hebben resusaap zoon van Eioneus voor hun koning. _ zijn paard de fijn en sterk dat IK hebben ooit zien, zij wit dan sneeuw en fleeter dan om het even welk wind dat blazen. _ zijn blokkenwagen bedight met zilveren en gouden, en hij hebben brengen zijn prachtig gouden pantser, van de zeldzaam vakmanschap ook schitterend voor om het even welk dodelijk mens te dragen, en ontmoeten slechts voor de god. _ nu, daarom, nemen me aan de schip of binden me veilig hier, tot u terug:komen en hebben be*wijzen mijn woord of zij vals of waar.“
_ Diomed kijken streng bij hem en antwoorden, „denken niet, Dolon, voor alle de goed informatie u hebben geven ons, dat u ont*snappen nu u in ons hand, voor als wij vrij:laten u of laten u gaan, u komen sommige tweede tijd aan de schip van de Achaeans of als een spion of als een open vijand, maar als IK doden u en een eind van u, u geven niet meer probleem.“
_ op dit Dolon hebben vangen hem door de baard te smeken hem verder, maar Diomed slaan hem in het midden van zijn hals met zijn zwaard en snijden door beide kracht zodat zijn hoofd vallen rollen in de stof terwijl hij nog spreken. _ zij nemen de fret-huid GLB van zijn hoofd, en ook de wolf-huid, de boog, en zijn lang spear. _ Ulysses hangen hen omhoog omhoog ter ere van Minerva de godin van plunderen, en bidden zeggen, „goed:keuren deze, godin, want wij geven hen aan u liever dan alle de god in Olympus: _ daarom ver*zenden ons steeds verder naar de paard en slaap-grond van de Thracians.“
_ met deze woord hij nemen de bederven en plaatsen hen op een tamarisk boom, en zij merken de plaats door uit:trekken riet en verzamelen boeg van tamarisk dat zij kunnen niet missen het aangezien zij terug:komen door the vliegen uur van duisternis. _ de twee toen gaan verder amid de vallen pantser en de bloed, en komen weldra aan de bedrijf van Thracian militair, die slapen, ver*moeien uit met hun dag zware arbeid; _ hun goodly pantser liggen ter plaatse naast hen alle oppasser in drie rij, en elk mens hebben zijn juk van paard naast hem. _ resusaap slapen in de midden, en hard door hem zijn paard maken snel aan de hoogste rand van zijn blokkenwagen. _ Ulysses van sommige manier van zaag hem en zeggen, „dit, Diomed, de mens, en deze de paard over dat Dolon die wij doden ver*tellen ons. _ doen uw zeer uiterst; _ dally niet over uw pantser, maar los:maken de paard meteen of anders doden de mens zelf, terwijl IK zien aan de paard.“
_ daarop Minerva zetten moed in de hart van Diomed, en hij smote hen juist en linker. _ zij maken een afschuwelijk kreunen aangezien zij hakken ongeveer, en de aarde rood met hun bloed. _ aangezien een leeuw op:springen woedend op een troep van schaap of geit wanneer hij vinden zonder hun herder, zodat doen de zoon van Tydeus reeks op de Thracian militair tot hij hebben doden twaalf. _ aangezien hij doden hen Ulysses komen en trekken hen opzij door hun voet één voor één, dat de paard kunnen gaan vooruit vrij zonder bang maken aangezien zij over:gaan over de dood lijk, want zij nog niet gebruiken aan hen. _ wanneer de zoon van Tydeus komen aan de koning, hij doden hem ook (dat maken dertien), aangezien hij ademen hard, want door de advies van Minerva een kwaad droom, de zaad van Oeneus, hangen dat nacht over zijn hoofd. _ ondertussen Ulysses untied de paard, maken hen snel aan andere en drijven hen weg, slaan hen met zijn boog, want hij hebben vergeten te nemen de ranselen van de blokkenwagen. _ dan hij fluiten als een teken aan Diomed.
_ maar Diomed blijven waar hij, denken wat ander durven akte hij kunnen verwezenlijken. _ hij be*twijfelen of te nemen de blokkenwagen waarin de koning pantser liggen, en trekken het uit door de pool, of te op:heffen de pantser uit en dragen het weg; _ of of opnieuw, hij moeten niet doden wat meer Thracians. _ terwijl hij zo aarzelen Minerva komen tot hem en zeggen, „krijgen terug, Diomed, aan de schip of u kunnen drijven thither, moeten sommige ander god op:wekken de Trojans.“
_ Diomed kennen dat het de godin, en meteen op:springen op de paard. _ Ulysses slaan hen met zijn boog en zij vliegen voorwaarts aan de schip van de Achaeans.
_ maar Apollo houden geen blind vooruitzicht wanneer hij zien Minerva met de zoon van Tydeus. _ hij boos met haar, en komen aan de gastheer van de Trojans hij op:wekken Hippocoon, een adviseur van de Thracians en een edel kinsman van resusaap. _ hij op:starten uit zijn slaap en zaag dat de paard niet meer in hun plaats, en dat de mens hijgen in hun dood-pijn; _ op dit hij kreunen hardop, en ver*zoeken zijn vriend door naam. _ dan de geheel Trojan kamp in een uproar als de mensen houden ver*haasten samen, en zij verwonderen bij de akte van de held die hebben nu krijgen weg naar de schip.
_ wanneer zij be*reiken de plaats waar zij hebben doden Hector verkenner, Ulysses blijven zijn paard, en de zoon van Tydeus, springen aan de grond, plaatsen de met bloed bevlekt bederven in de hand van Ulysses en remounted: _ dan hij geselen de paard verder, en zij vliegen vooruit niets afkerig naar de schip alsof van hun eigen vrij. _ Nestor eerste te horen de landloper van hun voet. _ „mijn vriend,“ zeggen hij, „prins en adviseur van de Argives, IK veronder*stellen net of verkeerd?_ - maar IK moeten zeggen wat IK denken: _ daar een geluid in mijn oor vanaf de landloper van paard. _ IK hopen het kunnen Diomed en Ulysses drijven in paard van de Trojans, maar I veel vrees dat de moedig van de Argives kunnen hebben komen aan sommige kwaad bij hun hand.“
_ hij hebben nauwelijks doen spreken wanneer de twee mens komen binnen en demonteren, waarop de andere schudden hand juist graag met hen en geluk:wensen hen. _ Nestor ridder van Gerene eerste te vragen hen. _ „ver*tellen me,“ zeggen hij, „renowned Ulysses, hoe u twee komen door deze paard? _ u stelen binnen onder de Trojan kracht, of sommige god ontmoeten u en geven hen aan u? _ zij als sunbeams. _ IK goed vertrouwd met de Trojans, voor oud strijder hoewel IK IK nooit tegen:houden door de schip, maar IK nooit nog zien of ver*nemen dergelijk paard aangezien deze. _ zeker sommige god moeten hebben ontmoeten u en geven hen aan u, want u zowel van beste aan Jove, en aan Jove dochter Minerva.“
_ en Ulysses antwoorden, „Nestor zoon van Neleus, eer aan de Achaean naam, hemel, als het zo, kunnen geven ons zelfs beter paard dan deze, voor de god ver machtig dan wij. _ deze paard, nochtans, over dat u vragen me, vers komen van Thrace. _ Diomed doden hun koning met de twaalf moedig van zijn metgezel. _ hard door de schip wij nemen een dertiende mens een verkenner die Hector en de ander Trojans hebben ver*zenden als een spion op ons schip.“
_ hij lachen aangezien hij spreken en drijven de paard over de sloot, terwijl de ander Achaeans volgen hem graag. _ wanneer zij be*reiken de sterk bouwen kwart van de zoon van Tydeus, zij binden de paard met thongs van leer aan de manger, waar de steeds van Diomed be*vinden eten hun zoet suikermaïs, maar Ulysses hangen de met bloed bevlekt bederven van Dolon bij de achtersteven van zijn schip, dat zij kunnen voor:bereiden een heilig aan:bieden aan Minerva. _ zoals voor zich, zij gaan in de overzees en wassen de zweet van hun lichaam, en van hun hals en dij. _ wanneer de zeewater hebben nemen alle de zweet van van hen, en hebben ver*frissen hen, zij gaan in de bad en wassen zich. _ nadat zij hebben zo doen en hebben anointed zich met olie, zij zitten neer aan lijst, en trekken van een volledig mixing-kom, maken een drank-aan:bieden van wijn aan Minerva.
_ | _ boek IX _ | _ Homerus _ | _ boek XI _ |