
_ schrijven 800 BC.
_ ver*talen door Samuel Butler
_ | _ boek XVII _ | _ Homerus _ | _ boek XIX _ |
_ dus toen zij be*strijden aangezien het een vlammen brand. _ ondertussen de vloot agent Antilochus, die hebben ver*zenden als boodschapper, be*reiken Achilles, en vinden hem zitting door zijn lang schip en voor*spellen dat dat inderdaad ook zeker waar. _ „helaas,“ zeggen hij aan zich in de heaviness van zijn hart, „waarom de Achaeans opnieuw schuren de vlakte en bijeen:komen naar de schip? _ hemel toelage de god niet nu brengen dat verdriet op me van dat mijn moeder Thetis spreken, zeggen dat terwijl IK nog levend de moedig van de Myrmidons moeten vallen vóór de Trojans, en zien de licht van de zon niet meer. _ IK vrezen de moedig zoon van Menoetius hebben vallen door zijn eigen durven en toch IK bieden hem terug:keren aan de schip zodra hij hebben drijven terug die dat brengen brand tegen hen, en niet aan:sluiten slag met Hector.“
_ aangezien hij zo na:denken, de zoon van Nestor komen tot hem en ver*tellen zijn droevig verhaal, huilen bitter de tijdje. _ „helaas,“ hij schreeuwen, „zoon van edel Peleus, IK brengen u slecht tidings, inderdaad dat zij untrue. _ Patroclus hebben vallen, en een strijd woeden over zijn naakt lichaam voor Hector houden zijn pantser.“
_ EEN donker wolk van zorg vallen op Achilles aangezien hij luisteren. _ hij vullen beide hand met stof van van de grond, en gieten het over zijn hoofd, disfiguring zijn aantrekkelijk gezicht, en laten de afval regelen over zijn overhemd zo eerlijk en nieuw. _ hij gooien zich onderaan allen reusachtig en enord bij volledig lengte, en scheuren zijn haar met zijn hand. _ de bondswomen wie Achilles en Patroclus hebben nemen gevangene gillen hardop voor zorg, slaan hun borst, en met hun lidmaat ont*breken hen voor verdriet. _ Antilochus buigen over hem de tijdje, huilen en houden beide zijn hand aangezien hij leggen kreunen want hij vrezen dat hij kunnen werpen een mes in zijn eigen keel. _ dan Achilles geven een luid schreeuw en zijn moeder horen hem aangezien zij zitten in de diepte van de overzees door de oud mens haar vader, waarop zij gillen, en alle de godin dochter van Nereus dat blijven stilstaan bij de bodem van de overzees, komen verzamelen om haar. _ daar Glauce, Thalia en Cymodoce, Nesaia, Speo, thoe en donker-eyed Halie, Cymothoe, Actaea en Limnorea, Melite, Iaera, Amphithoe en agave, Doto en Proto, Pherusa en Dynamene, Dexamene, Amphinome en Callianeira, Doris, Panope, en de beroemd overzees-nymph Galatea, Nemertes, Apseudes en Callianassa. _ daar ook Clymene, Ianeira en Ianassa, Maera, Oreithuia en Amatheia van de mooi slot, met ander Nereids die blijven stilstaan in de diepte van de overzees. _ de kristal hol vullen met hun massa en zij allen slaan hun borst terwijl Thetis leiden hen in hun be*treuren.
_ „luisteren,“ zij schreeuwen, „zuster, dochter van Nereus, dat u kunnen horen de last van mijn verdriet. _ helaas, narigheid me, narigheid in dat IK hebben dragen de het meest glorious van nakomelingen. _ IK dragen hem eerlijk en sterk, held onder held, en hij ont*spruiten omhoog als een sapling; _ IK neigen hem als een installatie in een goodly tuin, en ver*zenden hem met zijn schip aan Ilius te be*strijden de Trojans, maar nooit IK welkom heten hem terug naar de huis van Peleus. _ mits hij leven te kijken op de licht van de zon hij in heaviness, en hoewel IK gaan aan hem IK niet kunnen helpen hem. _ niettemin IK gaan, dat IK kunnen zien mijn beste zoon en leren welk verdriet hebben over*komen hem hoewel hij nog houden op een afstand van slag.“
_ zij ver*laten de hol aangezien zij spreken, terwijl de andere volgen huilen na, en de golf openen een weg vóór hen. _ wanneer zij be*reiken de rijke vlakte van Troy, zij komen omhoog uit de overzees in een lang lijn op de zand, bij de plaats waar de schip van de Myrmidons op:stellen in dicht orde om de tent van Achilles. _ zijn moeder uit:gaan aan hem aangezien hij leggen kreunen; _ zij leggen haar hand op zijn hoofd en spreken piteously, zeggen, „mijn zoon, waarom u zo huilen? _ welk verdriet hebben nu over*komen u? _ ver*tellen me; _ huid het niet van me. _ zeker Jove hebben ver*lenen u de gebed u maken hem, wanneer u op:heffen omhoog uw hand en smeken hem dat de Achaeans kunnen allemaal opgesloten omhoog bij hun schip, en rue het bitter in dat u niet meer met hen.“
_ Achilles kreunen en antwoorden, „moeder, Olympian Jove hebben inderdaad vouchsafed me de vervulling van mijn gebed, maar welk laars het aan me, zien dat mijn beste kameraad Patroclus hebben vallen hij die IK taxeren meer dan alle andere, en houden zo dearly zoals mijn eigen leven? _ IK hebben verliezen hem; _ aye, en Hector wanneer hij hebben doden hem ont*doen de wonderbaarlijk pantser, zo glorious aan behold, dat de god geven aan Peleus wanneer zij leggen u in de laag van een dodelijk mens. _ dat u nog blijven stilstaan onder de onsterfelijk overzees-nymphs, en dat Peleus hebben nemen aan zich sommige dodelijk bruid. _ voor nu u hebben zorg oneindig uit hoofde van de dood van dat zoon die u kunnen nooit welkom heten naar huis nay, IK niet leven noch gaan ongeveer onder mensheid tenzij Hector daling door mijn spear, en zo be*talen me voor hebben doden Patroclus zoon van Menoetius.“
_ Thetis huilen en antwoorden, „toen, mijn zoon, uw eind dichtbij dichtbij want uw eigen dood wachten u hoogtepunt spoedig na dat van Hector.“
_ dan zeggen Achilles in zijn groot zorg, „IK sterven hier en nu, in dat IK kunnen niet bewaren mijn kameraad. _ hij hebben vallen ver van huis, en in zijn uur van behoefte mijn hand niet daar te helpen hem. _ wat daar voor me? _ terugkeer aan mijn eigen land IK niet, en IK hebben brengen geen besparing noch aan Patroclus noch aan mijn ander kameraad van die zo velen hebben doden door machtig Hector; _ IK blijven hier door mijn schip een vergeefs last op de aarde, I, die in strijd hebben geen edele onder de Achaeans, niettemin in raad daar beter dan I. _ daarom, om:komen geschil zowel van onder god en mens, en woede, waarin zelfs een righteous mens ver*harden zijn hart dat toe:nemen omhoog in de ziel van een mens als rook, en de smaak daarvan zoet dan daling van honing. _ maar toch hebben Agamemnon irriteren me. _ en toch zo zij het, voor het over; _ IK dwingen mijn ziel in afhankelijkheid aangezien IK ver*eisen moeten; _ IK gaan; _ IK achter*volgen Hector die hebben doden hem die IK houden zo dearly, en toen ver*blijven mijn noodlot wanneer het kunnen tevreden:stellen Jove en de ander god te ver*zenden het. _ zelfs hercules, de best geliefd van Jove- zelfs hij kunnen niet ont*snappen de hand van dood, maar lot en Juno woest woede leggen hem laag, aangezien IK ook liggen wanneer IK dood als een gelijkaardig noodlot wachten me. _ tot toen IK winnen bekendheid, en bieden Trojan en Dardanian vrouw wringen scheur van hun teder wang met beide hun in:dienen de grievousness van hun groot verdriet; _ dus zij kennen dat hij die hebben houden op een afstand zo lang houden op een afstand niet meer. _ houden me niet achter, daarom, in de liefde u dragen me, want u niet be*wegen me.“
_ dan zilveren-betalen Thetis antwoorden, „mijn zoon, wat u hebben zeggen waar. _ het goed te bewaren uw kameraad van vernietiging, maar uw pantser in de hand van de Trojans; _ Hector dragen het in triomf op zijn eigen schouder. _ hoogtepunt goed IK kennen dat zijn vaunt niet duren, voor zijn eind dicht dichtbij; _ gaan niet, nochtans, in de pers van slag tot u zien me terug:keren hither; _ morgen bij dageraad van dag IK hier, en brengen u goodly pantser van koning Vulcan.“
_ op dit zij ver*laten haar moedig zoon, en aangezien zij draaien weg zij zeggen aan de overzees-nymphs haar zuster, „duiken in de boezem van de overzees en gaan aan de huis van de oud overzees-god mijn vader. _ ver*tellen hem alles; _ zoals voor me, IK gaan aan de sluw werkman Vulcan op hoog Olympus, en vragen hem te ver*strekken mijn zoon met een kostuum van schitterend pantser.“
_ wanneer zij hebben zo zeggen, zij duiken onmiddellijk onder de golf, terwijl zilveren-betalen Thetis gaan haar manier dat zij kunnen brengen de pantser voor haar zoon.
_ dus, toen, haar voet dragen de godin aan Olympus, en ondertussen de Achaeans vliegen met luid schreeuw vóór moordend Hector tot zij be*reiken de schip en de Hellespont, en zij kunnen niet trekken de lichaam van Mars bediende Patroclus uit bereik van de wapen dat over*gieten op hem, voor Hector zoon van Priam met zijn gastheer en horsemen hebben opnieuw in:halen aan hem als de vlam van een vurig oven; _ driemaal doen moedig Hector grijpen hem door de voet, streven met kunnen en leiding te trekken hem weg en roepen luid op de Trojans, en driemaal doen de twee Ajaxes, kleden in valour zoals met een kledingstuk, slaan hem van van de lichaam; _ maar alle undaunted hij nu laden in de dik van de strijd, en nu opnieuw hij be*vinden nog en schreeuwen hardop, maar hij geven geen grond. _ als hoogland herder dat niet kunnen achter*volgen sommige famished leeuw van een karkas, maar toch kunnen niet de twee Ajaxes schrik Hector zoon van Priam van de lichaam van Patroclus.
_ en nu hij zelfs hebben slepen het weg en hebben winnen imperishable glorie, hebben niet iris vloot als de wind, gevleugeld haar manier als boodschapper van Olympus aan de zoon van Peleus en bieden hem wapen. _ zij komen in het geheim zonder de kennis van Jove en van de ander god, want Juno ver*zenden haar, en wanneer zij hebben dicht bij hem zij zeggen, „omhoog, zoon van Peleus, machtig van alle mensheid; _ redding Patroclus over die dit vreselijk strijd nu woeden door de schip. _ mens doden elkaar, de Danaans ter verdediging van de dood lijk, terwijl de Trojans proberen aan hale het weg, en nemen het aan wind Ilius: _ Hector de het meest woedend van hen allen; _ hij voor snijden de hoofd van de lichaam en be*vestigen het op de staak van de muur. _ op, toen, en af:wachten hier niet meer; _ krimpen van de gedachte dat Patroclus kunnen worden vlees voor de hond van Troy. _ schande op u, moeten zijn lichaam lijden om het even welk soort van verontwaardiging.“
_ en Achilles zeggen, „iris, dat van de god het dat ver*zenden u aan me?“
_ iris antwoorden, „het Juno de koninklijk echtgenoot van Jove, maar de zoon van Saturnus niet kennen van mijn komen, noch nog doen een ander van de immortals die blijven stilstaan op de sneeuw top van Olympus.“
_ dan vloot Achilles antwoorden haar zeggen, „hoe kunnen IK uit:gaan in de slag? _ zij hebben mijn pantser. _ mijn moeder ver*bieden me te be*wapenen tot IK moeten zien haar komen, want zij be*loven te brengen me goodly pantser van Vulcan; _ IK kennen geen mens wiens wapen IK kunnen zetten, behalve slechts de schild van Ajax zoon van Telamon, en hij zeker moeten be*strijden in de voorzijde rang en hanteren zijn spear over de lichaam van dood Patroclus.“
_ iris zeggen, 'wij kennen dat uw pantser hebben nemen, maar gaan zoals u; _ gaan aan de diep geul en tonen yourelf vóór de Trojans, dat zij kunnen vrezen u en op:houden be*strijden. _ dus de verzwakken zoon van de Achaeans aanwinst sommige kort ademen-tijd, dat in slag kunnen nauwelijks. „
_ iris ver*laten hem wanneer zij hebben zo spreken. _ maar Achilles beste aan Jove voor:doen, en Minerva gooien haar tasselled aegis om zijn sterk schouder; _ zij be*kronen zijn hoofd met een halo van gouden wolk van dat zij ont*steken een gloed van gleaming brand. _ als de rook dat uit:gaan in hemel van sommige stad dat belegerd op een eiland ver uit op zee de hele dag doen mens Sally van de stad en be*strijden hun hard, en bij de gaan neer van de zon de lijn van baken-brand op:vlammen vooruit, flakkeren hoog voor die dat blijven stilstaan dichtbij hen aan behold, als zo dat zij kunnen komen met hun schip en te hulp komen hen maar toch doen de licht gloed van de hoofd van Achilles, aangezien hij be*vinden door de geul, gaan voorbij de muur maar hij helpen niet aan:sluiten de Achaeans want hij aandacht besteden de last dat zijn moeder leggen op hem.
_ daar hij be*vinden en schreeuwen hardop. _ Minerva ook op:heffen haar stem van afar, en uit:spreiden verschrikking unspeakable onder de Trojans. _ bellen aangezien de nota van een trompet dat klinken alarm toen de vijand bij de poort van een stad, maar toch koperachtig de stem van de zoon van Aeacus, en wanneer de Trojans horen zijn clarion toon zij met wanhoop ver*vullen; _ de paard draaien terug met hun blokkenwagen want zij voor*spellen ellende, en hun bestuurder vol ontzag door de regelmatig vlam dat de grijs-eyed godin hebben ont*steken boven de hoofd van de groot zoon van Peleus.
_ driemaal doen Achilles op:heffen zijn luid schreeuw aangezien hij be*vinden door de geul, en driemaal de Trojans en hun moedig bondgenoot werpen in verwarring; _ waarop twaalf van hun edel kampioen vallen onder de wiel van hun blokkenwagen en om:komen door hun eigen spears. _ de Achaeans aan hun groot vreugde toen trekken Patroclus uit bereik van de wapen, en leggen hem op een draagstoel: _ zijn kameraad be*vinden rouwen om hem, en onder hen vloot Achilles die huilen bitter aangezien hij zien zijn waar kameraad liggen volkomen op zijn bier. _ hij hebben ver*zenden hem uit met paard en blokkenwagen in slag, maar zijn terugkeer hij niet te welkom heten.
_ dan Juno ver*zenden de bezig zon, afkerig hoewel hij, in de water van Oceanus; _ zo hij plaatsen, en de Achaeans hebben rest van de sleepboot en opschudding van oorlog.
_ nu de Trojans wanneer zij hebben komen de strijd, unyoked hun paard en verzamelen in assemblage alvorens voor:bereiden hun avondmaal. _ zij houden hun voet, noch om het even welk durven te zitten neer, want vrees hebben vallen op hen allen omdat Achilles hebben tonen zich na hebben houden op een afstand zo lang van slag. _ Polydamas zoon van Panthous eerste te spreken, een mens van oordeel, die alleen onder hen kunnen kijken allebei vóór en na. _ hij kameraad aan Hector, en zij hebben geboren op de zelfde nacht; _ met alle sincerity en goodwill, daarom, hij richten hen zo:_ -
_ „kijken aan het goed, mijn vriend; _ IK aan:sporen u te terug:gaan nu aan uw stad en niet wachten hier door de schip tot ochtend, want wij ver van ons muur. _ mits dit mens bij vijandschap met Agamemnon de Achaeans gemakkelijk te be*handelen, en IK hebben graag kamperen door de schip in de hoop van nemen hen; _ maar nu IK gaan in groot vrees van de vloot zoon van Peleus; _ hij zo durven dat hij nooit af:wachten hier op de vlakte waarop de Trojans en Achaeans be*strijden met gelijk valour, maar hij proberen te stormen ons stad en dragen van ons vrouw. _ doen toen aangezien IK zeggen, en laten ons terug:gaan. _ want dit wat gebeuren. _ de duisternis van nacht voor een tijd blijven de zoon van Peleus, maar als hij vinden ons hier in de ochtend wanneer hij sallies vooruit in volledig pantser, wij hebben kennis van hem in goed ernstig. _ blij inderdaad hij wie kunnen ont*snappen en krijgen terug naar Ilius, en veel een Trojan worden vlees voor hond en gier kunnen IK nooit leven te horen het. _ als wij doen aangezien IK zeggen, weinig hoewel wij kunnen houden het, wij hebben sterkte in advies tijdens de nacht, en de groot poort met de deur dat dicht hen be*schermen de stad. _ bij dageraad wij kunnen be*wapenen en nemen ons tribune op de muur; _ hij toen rue het als hij sallies van de schip te be*strijden ons. _ hij terug:gaan wanneer hij hebben geven zijn paard hun vulling van drijven alle whithers onder ons muur, en in geen mening te proberen en dwingen zijn manier in de stad. _ noch hij ooit ont*slaan het, hond verslinden hem ere hij doen zo.“
_ Hector kijken hevig bij hem en antwoorden, „Polydamas, uw woord niet aan mijn houden in dat u bieden ons terug:gaan en opgesloten binnen de stad. _ hebben u niet hebben genoeg van cooped omhoog achter muur? _ in de oud-dag de stad van Priam beroemd de geheel wereld over voor zijn rijkdom van goud en brons, maar ons schat ver*spillen uit ons huis, en veel goederen hebben ver*kopen weg aan Phrygia en eerlijk Meonia, voor de hand van Jove hebben leggen zwaar op ons. _ nu, daarom, dat de zoon van plannen Saturnus hebben vouchsafed me te winnen glorie hier en te om*zomen de Achaeans binnen bij hun schip, prate niet meer in dit dwaas wijs onder de mensen. _ u hebben geen mens met u; _ het niet; _ doen iedereen aangezien IK nu zeggen;_ - nemen uw avondmaal in uw bedrijf door de gastheer, en houden uw horloge en wakeful elk mens van u. _ als Trojan moeilijk over zijn bezit, laten hem verzamelen hen en geven hen uit onder de mensen. _ beter laten deze, eerder dan de Achaeans, hebben hen. _ bij daybreak wij be*wapenen en be*strijden over de schip; _ ver*lenen dat Achilles hebben opnieuw komen vooruit te verdedigen hen, laten het aangezien hij, maar het gaan hard met hem. _ IK niet mijden hem, maar be*strijden hem, te vallen of veroveren. _ de god van oorlog overeenkomst uit als maatregel aan allen, en de slayer kunnen nog doden.“
_ dus spreken Hector; _ en de Trojans, dwaas dat zij, schreeuwen in applaus, voor Pallas Minerva hebben roven hen van hun be*grijpen. _ zij geven oor aan Hector met zijn kwaad advies, maar de wijs woord van Polydamas geen mens aandacht besteden. _ zij nemen hun avondmaal door de gastheer, en ondertussen door de geheel nacht de Achaeans rouwen Patroclus, en de zoon van Peleus leiden hen in hun be*treuren. _ hij leggen zijn moordend hand op de borst van zijn kameraad, kreunen opnieuw en opnieuw als een gebaard leeuw wanneer een mens die achter*volgen hert hebben roven hem van zijn jongelui in sommige dicht bos; _ wanneer de leeuw terug:komen hij woedend, en zoeken dingle en dell te volgen de jager als hij kunnen vinden hem, want hij gek met woede maar toch met veel een sigh doen Achilles spreken onder de Myrmidons zeggen, „helaas! _ verwaand de woord met dat IK cheered de held Menoetius in zijn eigen huis; _ IK zeggen dat IK brengen zijn moedig zoon terug opnieuw aan Opoeis nadat hij hebben ont*slaan Ilius en nemen zijn aandeel van de bederven maar Jove niet geven alle mens hun hart wens. _ de zelfde grond rood worden hier bij Troy door de bloed van ons allebei, want IK ook nooit welkom heten huis door de oud ridder Peleus, noch door mijn moeder Thetis, maar zelfs in dit plaats de aarde be*handelen me. _ niettemin, o Patroclus, nu IK ver*laten achter u, IK niet be*graven u, tot IK hebben brengen hither de hoofd en pantser van machtig Hector die hebben doden u. _ twaalf edel zoon van Trojans IK onthoofden vóór uw bier aan avenge u; _ tot IK hebben doen zodat u liggen aangezien u door de schip, en eerlijk vrouw van Troy en Dardanus, die wij hebben nemen met spear en sterkte van wapen wanneer wij ont*slaan mens goodly stad, huilen over u zowel nacht en dag.“
_ dan Achilles ver*tellen zijn mens te plaatsen een groot driepoot op de brand dat zij kunnen wassen de klonteren meridiaanvlak van van Patroclus. _ daarop zij plaatsen een driepoot hoogtepunt van bad water op een duidelijk brand: _ zij werpen stok op het te maken het op:vlammen, en de water worden heet als de vlam spelen over de buik van de driepoot. _ wanneer de water in de ketel koken zij wassen de lichaam, anointed het met olie, en sluiten zijn wond met zalf dat hebben houden negen jaar. _ dan zij leggen het op een bier en be*handelen het met een linnen doek van hoofd aan voet, en over dit zij leggen een eerlijk wit robe. _ dus de hele nacht doen de Myrmidons verzamelen om Achilles te rouwen Patroclus.
_ dan Jove zeggen aan Juno zijn zuster-vrouw, „zo, koningin Juno, u hebben be*reiken uw eind, en hebben op:wekken vloot Achilles. _ denken dat de Achaeans van uw eigen vlees en bloed.“
_ en Juno antwoorden, „ontzetting zoon van Saturnus, waarom moeten u zeggen dit ding? _ mogen niet een mens hoewel hij slechts dodelijk en kennen minder dan wij, wat hij kunnen voor een ander persoon? _ en niet I belangrijkste van alle godin zowel door afdaling en als vrouw aan u die regeren in hemel be*denken kwaad voor de Trojans als IK boos met hen?“
_ dus zij converseren. _ ondertussen Thetis komen aan de huis van Vulcan, imperishable, ster-bespangled, eerlijk van de abodes in hemel, een huis van brons vervaardigd door de lamé god eigen hand. _ zij vinden hem bezig met zijn blaasbalg, zweten en hard bij werk, want hij maken twintig driepoot dat te be*vinden door de muur van zijn huis, en hij plaatsen wiel van goud onder hen dat alles zij kunnen gaan van hun eigen selves aan de assemblage van de god, en terug:komen opnieuw wonder inderdaad te zien. _ zij beëindigen allen maar de oor van sluw vakmanschap dat nog blijven te be*vestigen aan hen: _ deze hij nu be*vestigen, en hij hameren bij de klinknagel. _ terwijl hij zo bij werk zilveren-betalen Thetis komen aan de huis. _ Charis, van bevallig hoofd-kleding, vrouw aan de ver-famed lamé god, komen naar haar zodra zij zien haar, en nemen haar in:dienen haar, zeggen, „waarom hebben u komen aan ons huis, Thetis, eren en ooit onthaal voor u niet be*zoeken ons vaak? _ komen binnen en laten me vastgesteld refreshment vóór u.“
_ de godin leiden de manier aangezien zij spreken, en bieden Thetis zitten op een rijk verfraaien zetel in:leggen met zilver; _ daar een voetenbank ook onder haar voet. _ dan zij roepen Vulcan en zeggen, „Vulcan, komen hier, Thetis willen u“; _ en de ver-famed lamé god antwoorden, „toen het inderdaad een augustus en eren godin die hebben komen hier; _ zij het dat be*handelen me wanneer IK lijden van de zwaar daling dat IK hebben door mijn wreed moeder woede want zij hebben bevrijden van me omdat IK lamé. _ het hebben gaan nauwelijks met me hebben niet Eurynome, dochter van de ooit-om*ringen water van Oceanus, en Thetis, nemen me aan hun boezem. _ negen jaar IK blijven met hen, en veel mooi werk in brons, brooches, spiraalvormig armband, kop, en ketting, IK maken voor hen in hun hol, met de brullen water van Oceanus schuimen aangezien zij mee:slepen ooit voorbij het; _ en niemand kennen, geen van beiden van god noch mens, behalve slechts Thetis en Eurynome die be*handelen me. _ als, toen, Thetis hebben komen aan mijn huis IK moeten maken haar gepast requital voor hebben bewaren me; _ onder*houden haar, daarom, met alle gastvrijheid, terwijl IK zetten door mijn blaasbalg en alle mijn hulpmiddel.“
_ op dit de machtig monster hobbled weg van zijn aambeeld, zijn dun been be*oefenen lustily onder hem. _ hij plaatsen de blaasbalg vanaf de brand, en verzamelen zijn hulpmiddel in een zilveren borst. _ dan hij nemen een spons en wassen zijn gezicht en hand, zijn shaggy borst en gespierd hals; _ hij aan:trekken zijn overhemd, be*grijpen zijn sterk personeel, en limped naar de deur. _ daar gouden handmaids ook wie werken voor hem, en als echt jong vrouw, met betekenis en reden, stem ook en sterkte, en alle de leren van de immortals; _ deze busied zich aangezien de koning bieden hen, terwijl hij trekken dichtbij aan Thetis, zetten haar op een goodly zetel, en nemen haar in:dienen zijn, zeggen, „waarom hebben u komen aan ons huis, Thetis eren en ooit onthaal voor u niet be*zoeken ons vaak? _ zeggen wat u willen, en IK doen het voor u meteen als IK kunnen, en als het kunnen doen bij allen.“
_ Thetis huilen en antwoorden, „Vulcan, daar een ander godin in Olympus die de zoon van Saturnus hebben tevreden:stellen te proberen met zodat veel kwelling aangezien hij hebben me? _ me alleen van de marien godin hij maken onderwerp aan een dodelijk echtgenoot, Peleus zoon van Aeacus, en sorely tegen mijn wil IK voor:leggen aan de greep van die maar dodelijk, en die nu blijven thuis dragen uit met leeftijd. _ geen van beiden dit allen. _ hemel vouchsafed me een zoon, held onder held, en hij ont*spruiten omhoog als een sapling. _ IK neigen hem als een installatie in een goodly tuin en ver*zenden hem met zijn schip aan Ilius te be*strijden de Trojans, maar nooit IK welkom heten hem terug naar de huis van Peleus. _ mits hij leven te kijken op de licht van de zon, hij in heaviness, en hoewel IK gaan aan hem IK niet kunnen helpen hem; _ koning Agamemnon hebben maken hem op:geven de meisje die de zoon van de Achaeans hebben toe:kennen hem, en hij ver*spillen met verdriet voor haar belang. _ dan de Trojans om*zomen de Achaeans binnen bij hun schip achtersteven en niet laten hen komen vooruit; _ de oudsten, daarom, van de Argives smeken Achilles en aan:bieden hem groot schat, waarop hij weigeren te brengen deliverance aan hen zelf, maar zetten zijn eigen pantser op Patroclus en ver*zenden hem in de strijd met veel mensen na hem. _ de hele dag zij be*strijden door de Scaean poort en hebben nemen de stad daar en toen, hebben niet Apollo vouchsafed glorie aan Hector en doden de moedig zoon van Menoetius nadat hij hebben doen de Trojans veel kwaad. _ daarom IK suppliant bij uw knie als haply u kunnen pleased te ver*strekken mijn zoon, wiens eind dichtbij dichtbij, met helm en schild, met goodly kaantje passen met ancle-greep, en met een breastplate, want hij verliezen zijn wanneer zijn waar kameraad vallen bij de hand van de Trojans, en hij nu liggen uit:rekken op aarde in de bitterheid van zijn ziel.“
_ en Vulcan antwoorden, „nemen hart, en niet meer disquieted over dit kwestie; _ dat IK kunnen ver*bergen hem van dood gezicht wanneer zijn uur komen, zo zeker aangezien IK kunnen vinden hem pantser dat verbazen de oog van allen die behold het.“
_ wanneer hij hebben zo zeggen hij ver*laten haar en gaan aan zijn blaasbalg, draaien hen naar de brand en bieden hen doen hun bureau. _ twintig blaasbalg blazen op de smelten-pot, en zij blazen ontploffing van elk soort, wat woest te helpen hem wanneer hij hebben behoefte van hen, en andere minder sterk aangezien Vulcan willed het in de loop van zijn werk. _ hij werpen taai koper in de brand, en tin, met zilveren en gouden; _ hij plaatsen zijn groot aambeeld op zijn blok, en met één hand be*grijpen zijn machtig hamer terwijl hij nemen de tang in de andere.
_ eerst hij vormen de schild zo groot en sterk, ver*sieren het helemaal over en binden het ronde met een gleaming kring in drie laag; _ en de baldric maken van zilver. _ hij maken de schild in vijf dikte, en met velen een wonder doen zijn sluw hand verrijken het.
_ hij vervaardigd de aarde, de hemel, en de overzees; _ de maan ook bij haar hoogtepunt en de untiring zon, met alle de teken dat verheerlijken de gezicht van hemel de Pleiads, de Hyads, reusachtig Orion, en de beer, dat mens ook roepen de Wain en dat draaien rond ooit in één plaats, onder ogen zien. _ Orion, en alleen nooit onder:dompelen in de stroom van Oceanus.
_ hij vervaardigd ook twee stad, eerlijk te zien en bezig met de gezoem van mens. _ in de huwelijk en huwelijk-feest, en zij gaan over de stad met bruid die zij bege*leiden door torchlight van hun kamer. _ luid toe:nemen de schreeuw van Hymen, en de jeugd dansen aan de muziek van fluit en lyre, terwijl de vrouw be*vinden elk bij haar huis deur te zien hen.
_ ondertussen de mensen verzamelen in assemblage, voor daar een ruzie, en twee mens ruzie maken over de bloed-geld voor een mens die hebben doden, de zeggen vóór de mensen dat hij hebben be*talen schade in hoogtepunt, en de andere dat hij hebben niet be*talen. _ elk proberen te maken zijn eigen geval goed, en de mensen nemen kant, elk mens steunen de kant dat hij hebben nemen; _ maar de aan:kondigen houden hen achter, en de oudsten sate op hun zetel van steen in een plechtig cirkel, houden de staaf dat de aan:kondigen hebben zetten in hun hand. _ dan zij toe:nemen en elk in zijn draai geven oordeel, en daar twee talent be*palen, te geven aan hem wiens oordeel moeten achten de eerlijk.
_ ongeveer de ander stad daar leggen encamped twee gastheer in gleaming pantser, en zij ver*delen hetzij aan zak het, of te sparen het en goed:keuren de helft van wat het be*vatten. _ maar de mens van de stad nog niet toe:stemmen, en be*wapenen zich voor een verrassing; _ hun vrouw en klein kind houden wacht op de muur, en met hen de mens die voorbij be*strijden door leeftijd; _ maar de andere sallied vooruit met Mars en Pallas Minerva bij hun hoofd beiden vervaardigd in gouden en bekleed in gouden raiment, groot en eerlijk met hun pantser als passen god, terwijl zij dat volgen klein. _ wanneer zij be*reiken de plaats waar zij leggen hun ambush, het op een rivierbed aan dat levend voorraad van alle soort komen van ver en naderen aan water; _ hier, toen, zij leggen ver*bergen, bekleed in volledig pantser. _ sommige manier van hen daar twee verkenner die op de vooruitzicht voor de komen van schaap of vee, dat weldra komen, volgen door twee herder die spelen op hun pijp, en hebben niet zo veel als een gedachte van gevaar. _ wanneer die die in ambush zien dit, zij af:snijden de troep en kudde en doden de herder. _ ondertussen de besiegers, wanneer zij horen veel lawaai onder de vee aangezien zij zitten in raad, op:springen aan hun paard, en maken met alle snelheid naar hen; _ wanneer zij be*reiken hen zij plaatsen slag in serie door de bank van de rivier, en de gastheer streven hun brons-schoeien spears bij elkaar. _ met hen geschil en rel, en vallen lot die slepen drie mens nadat haar, met een vers wond, en de andere unwounded, terwijl de derde dood, en zij slepen hem door zijn hiel: _ en haar robe bedrabbled in mens bloed. _ zij gaan binnen en uit met elkaar en be*strijden alsof zij leven mensen helen weg één - van iemand anders doden.
_ hij vervaardigd ook een eerlijk braakakker gebied, groot en driemaal ploegen reeds. _ veel mens werken bij de ploeg binnen het, draaien hun os heen en weer, voor na voor. _ telkens als dat zij aan:zetten be*reiken de headland een mens komen tot hen en geven hen een kop van wijn, en zij terug:gaan aan hun voor kijken vooruit aan de tijd wanneer zij moeten opnieuw be*reiken de headland. _ de deel dat zij hebben ploegen donker achter hen, zodat de gebied, hoewel het van goud, nog kijken alsof het ploegen zeer nieuwsgierig aan behold.
_ hij vervaardigd ook een gebied van oogst graan, en de reapers oogsten met scherp sikkel in hun hand. _ om*hullen nadat om*hullen vallen aan de grond in een recht lijn achter hen, en de bindmiddel binden hen in band van ver*draaien stro. _ daar drie bindmiddel, en achter hen daar jongen die verzamelen de besnoeiing graan in armfuls en houden op brengen hen te binden: _ onder hen alle de eigenaar van de land be*vinden langs in stilte en blij. _ de bediende krijgen een maaltijd klaar onder een eik, want zij hebben offeren een groot os, en bezig knipsel hem omhoog, terwijl de vrouw maken een havermoutpap van veel wit gerst voor de arbeider diner.
_ hij vervaardigd ook een wijngaard, gouden en eerlijk te zien, en de wijnstok laden met druif. _ de bos overheadkosten zwart, maar de wijnstok op:leiden op pool van zilver. _ hij in werking stellen een sloot van donker metaal alle ronde het, en schermen het met een omheining van tin; _ daar slechts één weg aan het, en door dit de vintagers gaan wanneer zij verzamelen de wijnoogst. _ jeugd en meisje alle zorgeloos en volledig van vreugde, dragen de luscious fruit in vlechten mand; _ en met hen daar gaan een jongen die maken zoet muziek met zijn lyre, en zingen de linus-lied met zijn duidelijk jongensachtig stem.
_ hij vervaardigd ook een kudde van automatisch be:sturen vee. _ hij maken de koe van goud en tin, en zij lowed aangezien zij komen volledig snelheid uit de werf te gaan en voeden onder de golven riet dat kweken door de bank van de rivier. _ samen met de vee daar gaan vier herder, allemaal in goud, en hun negen vloot hond gaan met hen. _ twee vreselijk leeuw hebben vast:maken op een bellowing stier dat met de belangrijkste koe, en blaasbalg aangezien hij kunnen zij haled hem, terwijl de hond en mens geven jacht: _ de leeuw scheuren door de stier dik huid en gorging op zijn bloed en darm, maar de herdsmen bang te doen om het even wat, en slechts hounded op hun hond; _ de hond durven niet vast:maken op de leeuw maar be*vinden door ont*schorsen en houden uit kwaad manier.
_ de god vervaardigd ook een weiland in een eerlijk berg dell, en groot troep van schaap, met een hoeve en hut, en be*schutten sheepfolds.
_ verder hij vervaardigd een groen, als dat dat Daedalus eens maken in Cnossus voor mooi Ariadne. _ Hereon daar dansen jeugd en meisje die allen na:streven, met hun hand op één - van iemand anders pols. _ de meisje dragen robe van licht linnen, en de jeugd goed weven overhemd dat lichtjes oliën. _ de meisje be*kronen met slinger, terwijl de jong mens hebben daggers van goud dat hangen door zilveren baldrics; _ soms zij dansen deftly in een ring met vrolijk fonkelen voet, aangezien het een pottenbakker zitting bij zijn werk en maken proef van zijn wiel te zien of het in werking stellen, en soms zij gaan allen overeenkomstig elkaar, en veel mensen verzamelen joyously over de green. _ daar een bard ook te zingen aan hen en spelen zijn lyre, terwijl twee tuimelschakelaar gaan over uit:voeren in de midden van hen wanneer de mens slaan omhoog met zijn wijsje.
_ allen om de buitenste rand van de schild hij plaatsen de machtig stroom van de rivier Oceanus.
_ dan wanneer hij hebben vormen de schild zo groot en sterk, hij maken een breastplate ook dat glanzen helder dan brand. _ hij maken helm, nauwsluitend aan de brow, en rijk werken, met een gouden pluim over*hangen het; _ en hij maken kaantje ook van slaan tin.
_ ten slotte, wanneer de famed lamé god hebben maken alle de pantser, hij nemen het en plaatsen het vóór de moeder van Achilles; _ waarop zij werpen als een valk van de sneeuw top van Olympus en dragen weg de gleaming pantser van de huis van Vulcan.
_ | _ boek XVII _ | _ Homerus _ | _ boek XIX _ |