
_ schrijven 800 BC.
_ ver*talen door Samuel Butler
_ | _ boek XX _ | _ Homerus _ | _ boek XXII _ |
_ boek XXI
_ nu wanneer zij komen aan de plaats van de volledig-stromen rivier Xanthus, creëren van onsterfelijk Jove, Achilles snijden hun kracht in twee: _ helft hij achter*volgen over de vlakte naar de stad door de zelfde manier dat de Achaeans hebben nemen wanneer vliegen panisch op de vooraf:gaan dag met Hector in volledig triomf; _ dit manier zij vliegen pell-mell, en Juno ver*zenden onderaan een dik mist voor hen te blijven hen. _ de ander helft om*zomen binnen door de diep zilveren-eddying stroom, en vallen in het met een groot uproar. _ de water resounded, en de bank bellen opnieuw, aangezien zij zwemmen hither en thither met luid schreeuw amid de whirling werveling. _ als sprinkhaan vliegen aan een rivier alvorens de ontploffing van een gras in brand steken de vlam komen en tot bij laatste het over*vallen hen en zij wirwar in de water maar toch de eddying stroom van Xanthus vullen met de uproar van mens en paard, allen worstelen in verwarring vóór Achilles.
_ onmiddellijk de held ver*laten zijn spear op de bank, leunen het tegen een tamarisk struik, en werpen in de rivier als een god, be*wapenen met zijn zwaard slechts. _ vallen zijn doel aangezien hij houwen de Trojans neer op elk kant. _ hun sterven gekreun toe:nemen afschuwelijk als de zwaard smote hen, en de rivier in werking stellen rood met bloed. _ zoals wanneer vis vlieg doen schrikken vóór een reusachtig dolfijn, en vullen elk hoekje en hoek van sommige eerlijk toevluchtsoord want hij zeker te eten allen hij kunnen vangen maar toch doen de Trojans cower onder de bank van de machtig rivier, en wanneer Achilles wapen kweken vermoeid met doden hen, hij trekken twaalf jeugd levend uit de water, te offeren in wraak voor Patroclus zoon van Menoetius. _ hij trekken hen uit als versuft fawns, binden hun hand achter hen met de gordel van hun eigen overhemd, en geven hen over aan zijn mens te nemen terug naar de schip. _ dan hij op:springen in de rivier, thirsting voor steeds verder bloed.
_ daar hij vinden Lycaon, zoon van Priam zaad van Dardanus, aangezien hij ont*snappen uit de water; _ hij het wie hij hebben eens nemen gevangene wanneer hij in zijn vader wijngaard, hebben plaatsen op hem 's nachts, aangezien hij snijden jong spruit van een wild fig.-boom te maken de rieten kant van een blokkenwagen. _ Achilles toen vangen hem aan zijn verdriet unawares, en ver*zenden hem door overzees aan Lemnos, waar de zoon van Jason kopen hem. _ maar een gast-vriend, Eetion van Imbros, bevrijden hem met een groot som, en ver*zenden hem aan Arisbe, whence hij hebben ont*snappen en terug:keren aan zijn vader huis. _ hij hebben besteden elf dag gelukkig met zijn vriend nadat hij hebben komen van Lemnos, maar op de twaalfde hemel opnieuw leveren hem in de hand van Achilles, die te ver*zenden hem aan de huis van Hades sorely tegen zijn wil. _ hij unarmed wanneer Achilles vangen gezicht van hem, en hebben noch helm noch schild; _ noch nog hebben hij om het even welk spear, want hij hebben werpen alle zijn pantser van hem op de bank, en zweten met zijn strijd te krijgen uit de rivier, zodat zijn sterkte nu ont*breken hem.
_ dan Achilles zeggen aan zich in zijn verrassing, „welk wonder IK zien hier? _ als dit mens kunnen terug:komen levend na hebben ver*kopen over in Lemnos, IK hebben de Trojans ook wie IK hebben doden toe:nemen van de wereld hieronder. _ kunnen niet gelijk maken de water van de grijs overzees gevangen:nemen hem, aangezien zij doen veel andere of hij of nr? _ dit tijd laten hem proeven mijn spear, dat IK kunnen kennen voor bepaald of moeder aarde die kunnen houden zelfs een sterk mens neer, kunnen te houden hem, of of vandaar ook hij terug:keren.“
_ dus hij pauzeren en na:denken. _ maar Lycaon komen tot hem versuft en proberen hard te omhelzen zijn knie, want hij fain levend, niet matrijs. _ Achilles duw bij hem met zijn spear, be*tekenen te doden hem, maar Lycaon in werking stellen buigen tot hem en vangen zijn knie, waardoor de spear over:gaan over zijn rug, en plakken in de grond, uit:hongeren hoewel het voor bloed. _ met één hand hij vangen Achilles knie aangezien hij smeken hem, en met de andere hij clutched de spear en niet laten het gaan. _ dan hij zeggen, „Achilles, hebben genade op me en sparen me, want IK uw suppliant. _ het in uw tent dat I eerst breken brood op de dag wanneer u nemen me gevangene in de wijngaard; _ waarna u ver*kopen weg aan Lemnos ver van mijn vader en mijn vriend, en IK brengen u de prijs van een honderd os. _ IK hebben be*talen drie tijd zo veel te be*reiken mijn vrijheid; _ het maar twaalf dag dat IK hebben komen aan Ilius na veel lijden, en nu wreed lot hebben opnieuw werpen me in uw hand. _ zeker vader Jove moeten haten me, dat hij hebben geven me over aan u een tweede tijd. _ plotseling van leven inderdaad doen mijn moeder Laothoe dragen me, dochter van oud Altes- van Altes die regeren over de warlike Lelegae en houden steil Pedasus op de rivier Satnioeis. _ Priam huwen zijn dochter samen met veel ander vrouw en twee zoon geboren van haar, allebei van die u hebben doden. _ uw spear zwenken edel Polydorus aangezien hij be*strijden in de voor rang, en nu kwaad hier over*komen me, voor IK vrezen dat IK niet ont*snappen u aangezien hemel hebben leveren me over aan u. _ verder IK zeggen, en leggen mijn zeggen aan uw hart, sparen me, want IK niet van de zelfde womb zoals Hector die zwenken uw moedig en edel kameraad.“
_ met dergelijk woord doen de princely zoon van Priam smeken Achilles; _ maar Achilles antwoorden hem streng. _ „idiot,“ zeggen hij, „bespreking niet aan me van losgeld. _ tot Patroclus vallen IK ver*kiezen te geven de Trojans kwart, en ver*kopen voorbij de overzees velen van die die IK hebben nemen levend; _ maar nu niet een mens leven van die die hemel leveren in mijn hand vóór de stad van Ilius- en van alle Trojans het gaan hard met de zoon van Priam. _ daarom, mijn vriend, u ook sterven. _ waarom moeten u jammeren op deze wijze? _ Patroclus vallen, en hij een beter mens dan u. _ IK ook zien u niet hoe IK groot en goodly? _ IK zoon aan een edel vader, en hebben een godin voor mijn moeder, maar de hand van noodlot en dood over*schaduwen me allen zoals zeker. _ de dag komen, of bij dageraad of dark, of bij de noontide, wanneer nemen mijn leven ook in slag, of met zijn spear, of met een pijl ver*zenden van zijn boog.“
_ dus hij spreken, en Lycaon hart dalen binnen hem. _ hij los:maken zijn greep van de spear, en stand:houden beide hand vóór hem; _ maar Achilles trekken zijn scherp blad, en slaan hem door de collar-bone op zijn hals; _ hij werpen zijn two-edged zwaard in hem aan de eigenlijk hilt, waarop hij leggen bij volledig lengte ter plaatse, met de donker bloed welling van hem tot de aarde door*weken. _ dan Achilles vangen hem door de voet en gooien hem in de rivier te gaan onderaan stroom, vaunting over hem de tijdje, en zeggen, „liggen daar onder de vis, die likken de bloed van uw wond en gloat over het; _ uw moeder niet leggen u op om het even welk bier te rouwen u, maar de werveling van Scamander dragen u in de breed boezem van de overzees. _ daar de vis voer op de vet van Lycaon aangezien zij werpen onder de donker rimpeling van de water zo om:komen iedereen tot wij be*reiken de citadel van sterk Ilius- u tijdens de vlucht, en I volgen na te vernietigen u. _ de rivier met zijn breed zilveren stroom dienen u in geen plaats, voor alle de stier u aan:bieden hem en alle de paard dat u gooien leven in zijn water. _ niettemin miserably u om:komen tot daar niet een mens van u maar hebben be*talen in hoogtepunt voor de dood van Patroclus en de verwoesting u vervaardigd onder de Achaeans die u hebben doden terwijl IK houden op een afstand van slag.“
_ zo spreken Achilles, maar de rivier kweken meer en meer boos, en na:denken binnen zich hoe hij moeten blijven de hand van Achilles en bewaren de Trojans van ramp. _ ondertussen de zoon van Peleus, spear ter beschikking, op:springen op Asteropaeus zoon van Pelegon te doden hem. _ hij zoon aan de breed rivier Axius en Periboea oud dochter van Acessamenus; _ voor de rivier hebben liggen met haar. _ Asteropaeus be*vinden omhoog uit de water te onder ogen zien hem met een spear in één van beide hand, en Xanthus vullen hem met moed, boos voor de dood van de jeugd die Achilles doden ruthlessly binnen zijn water. _ wanneer zij dicht omhoog met elkaar Achilles eerste te spreken. _ „Who en whence u,“ zeggen hij, „wie durven te onder ogen zien me? _ narigheid aan de ouder wiens zoon be*vinden omhoog tegen me.“ _ en de zoon van Pelegon antwoorden, „groot zoon van Peleus, waarom moeten u vragen mijn lineage. _ IK van de vruchtbaar land van ver Paeonia, kapitein van de Paeonians, en het nu elf dag dat IK bij Ilius. _ IK van de bloed van de rivier Axius- van Axius dat de eerlijk van alle rivier dat in werking stellen. _ hij creëren de famed strijder Pelegon, wiens zoon mens roepen me. _ laten ons nu be*strijden, Achilles.“
_ dus hij tarten hem, en Achilles op:heffen zijn spear van Pelian as. _ Asteropaeus ont*breken met beide zijn spears, want hij kunnen gebruiken beide hand gelijk; _ met de één spear hij slaan Achilles schild, maar niet door*dringen het, voor de laag van goud, gift van de god, blijven de punt; _ met de ander spear hij weiden de elleboog van Achilles! _ juist wapen trekken donker bloed, maar de spear zelf gaan door hem en be*vestigen zich in de grond, foiled van zijn bloedig banket. _ dan Achilles, fain te doden hem, slingeren zijn spear bij Asteropaeus, maar ont*breken te raken hem en slaan de steil bank van de rivier, drijven de spear half zijn lengte in de aarde. _ de zoon van Peleus toen trekken zijn zwaard en op:springen woedend op hem. _ Asteropaeus vainly proberen te trekken Achilles spear uit de bank door belangrijkst kracht; _ driemaal hij trekken bij het, proberen met alle zijn kunnen te trekken het uit, en driemaal hij moeten ver*laten van proberen; _ de vierde tijd hij proberen te buigen en breken het, maar ere hij kunnen doen zodat Achilles smote hem met zijn zwaard en doden hem. _ hij slaan hem in de buik dichtbij de navel, zodat alle zijn darm komen gutsen uit op de grond, en de duisternis van dood komen over hem aangezien hij leggen hijgen. _ dan Achilles plaatsen zijn voet op zijn borst en bederven hem van zijn pantser, vaunting over hem en zeggen, „liggen daar creëren van een rivier hoewel u, het hard voor u te streven met de nakomelingen van Saturnus zoon. _ u ver*klaren zich op:springen van de bloed van een breed rivier, maar IK van de zaad van machtig Jove. _ mijn vader Peleus, zoon van Aeacus heerser over de veel Myrmidons, en Aeacus de zoon van Jove. _ daarom aangezien Jove machtig dan om het even welk rivier dat stroom in de overzees, zo zijn kind sterk dan die van om het even welk rivier van om het even welke aard. _ bovendien u hebben een groot rivier hard langs als hij kunnen van om het even welk gebruik aan u, maar daar geen be*strijden tegen Jove de zoon van Saturnus, met die niet zelfs koning Achelous kunnen verge*lijken, noch de machtig stroom van diep-stromen Oceanus, van die alle rivier en overzees met alle lente en diep put te werk gaan; _ zelfs Oceanus vrezen de lightnings van groot Jove, en zijn donder dat komen verpletteren uit hemel.“
_ met dit hij trekken zijn brons spear uit de bank, en nu hij hebben doden Asteropaeus, hij laten hem liggen waar hij op de zand, met de donker water stromen over hem en de paling en vis bezig knagen en knagen de vet dat over zijn nier. _ dan hij gaan in jacht van de Paeonians, die vliegen langs de bank van de rivier in paniek wanneer zij zien hun leider doden door de hand van de zoon van Peleus. _ daarin hij zwenken Thersilochus, Mydon, Astypylus, Mnesus, Thrasius, Oeneus, en Ophelestes, en hij hebben doden nog andere, hebben niet de rivier in woede nemen menselijk vorm, en spreken aan hem van uit de diep water zeggen, „Achilles, als u uit:blinken allen in sterkte, zodat doen u ook in verdorvenheid, voor de god ooit met u te be*schermen u: _ als, toen, de zoon van Saturnus hebben vouchsafed het aan u te vernietigen alle de Trojans, in ieder geval drijven hen uit mijn stroom, en doen uw onverbiddelijk werk op land. _ mijn eerlijk water nu vullen met corpses, noch kunnen IK vinden om het even welk kanaal door dat IK kunnen gieten mij in de overzees voor IK versperren met doden, en toch u gaan op genadeloos doden. _ IK in wanhoop, daarom, o kapitein van uw gastheer, veront*rusten me geen verder.“
_ Achilles antwoorden, „zo zij het, Scamander, jove-dalen; _ maar IK nooit op:houden be*handelen uit dood onder de Trojans, tot IK hebben opgesloten hen omhoog in hun stad, en maken proef van Hector van aangezicht tot aangezicht, dat IK kunnen leren of hij te over*winnen me, of I hem.“
_ aangezien hij spreken hij plaatsen op de Trojans met een woede als dat van de god. _ maar de rivier zeggen aan Apollo, „zeker, zoon van Jove, Lord van de zilver boog, u niet uit:voeren de bevel van Jove die laden u straitly dat u moeten be*vinden door de Trojans en verdedigen hen, tot twilight langzaam verdwijnen, en duisternis over een de aarde.“
_ ondertussen Achilles op:springen van de bank in mid-stream, waarop de rivier op:heffen een hoog golf en aan:vallen hem. _ hij zwellen zijn stroom in een bergstroom, en vegen weg de veel doden die Achilles hebben doden en ver*laten binnen zijn water. _ deze hij gieten uit op de land, bellowing als een stier de tijdje, maar de leven hij bewaren levend, ver*bergen hen in zijn machtig werveling. _ de groot en vreselijk golf verzamelen over Achilles, vallen op hem en slaan op zijn schild, zodat hij kunnen niet houden zijn voet; _ hij vangen greep van een groot iep-boom, maar het komen omhoog door de wortel, en scheuren weg de bank, in:dijken de stroom met zijn dik tak en overbruggen het allen overdwars; _ waardoor Achilles worstelen uit de stroom, en vluchten volledig snelheid over de vlakte, want hij bang.
_ maar de machtig god op:houden niet in zijn achtervolging, en op:springen op hem met een donker-kuif golf, te blijven zijn hand en bewaren de Trojans van vernietiging. _ de zoon van Peleus werpen weg een spear werpen van hem; _ swift als de swoop van een zwart jager-adelaar dat de sterk en fleetest van alle vogel, maar toch hij op:springen vooruit, en de pantser bellen luid over zijn borst. _ hij vluchten in voorzijde, maar de rivier met een luid gebrul komen tearing daarna. _ aangezien die water geven zijn tuin leiden een stroom van sommige fontein over zijn installatie, en alle zijn grond-spade ter beschikking hij ont*ruimen weg de dam te vrij de kanaal, en de klein steen in werking stellen rollen rond en ronde met de water aangezien het gaan merrily onderaan de bank snel dan de mens kunnen volgen maar toch doen de rivier houden in:halen met Achilles alhoewel hij een vloot agent, voor de god sterk dan mens. _ zo vaak aangezien hij streven te be*vinden zijn grond, en zien of of geen alle de god in hemel in liga tegen hem, zo vaak de machtig golf komen slaan neer op zijn schouder, en moeten houden vliegen en in groot wanhoop; _ voor de boos vloed ver*moeien hem uit aangezien het stromen voorbij hem en eten de grond van onder zijn voet.
_ dan de zoon van Peleus op:heffen omhoog zijn stem aan hemel zeggen, „vader Jove, daar niets van de god die nemen medelijden op me, en bewaren me van de rivier? _ IK niet geven wat kunnen gebeuren aan me daarna. _ IK beschuldigen niets van de ander bewoner op Olympus zo streng aangezien IK doen mijn beste moeder, die hebben beguiled en bedriegen me. _ zij ver*tellen me IK te vallen onder de muur van Troy door de vliegen pijl van Apollo; _ dat Hector, de best mens onder de Trojans, kunnen daar doden me; _ dan moeten IK vallen een held door de hand van een held; _ terwijl nu het schijnen dat IK komen aan een het meest pitiable eind, op:sluiten in dit rivier alsof IK sommige swineherd jongen, die krijgen dragen onderaan een bergstroom terwijl proberen te kruisen het tijdens een onweer.“
_ zodra hij hebben spreken zo, Neptunus en Minerva komen tot hem in de gelijkenis van twee mens, en nemen hem door de hand te gerust:stellen hem. _ Neptunus spreken eerst. _ „zoon van Peleus,“ zeggen hij, „niet zo over*schrijden vreselijk; _ wij twee god, komen met Jove sanctie te bij:wonen u, I, en Pallas Minerva. _ het niet uw lot te om:komen in dit rivier; _ hij ver*minderen weldra aangezien u zien; _ bovendien wij sterk adviseren u, als u leiden door ons, niet te blijven uw hand van be*strijden tot u hebben opgesloten de Trojan gastheer binnen de famed muur van Ilius- zo velen van hen zoals kunnen ont*snappen. _ dan doden Hector en terug:gaan aan de schip, want wij vouchsafe u een triomf over hem.“
_ wanneer zij hebben zo zeggen zij terug:gaan aan de ander immortals, maar Achilles streven voorwaarts over de vlakte, aan:moedigen door de last de god hebben leggen op hem. _ allen nu be*handelen met de vloed van water, en veel goodly pantser van de jeugd dat hebben doden rifting ongeveer, als ook veel corpses, maar hij dwingen zijn manier tegen de stroom, ver*zenden net verder, noch kunnen de breed water blijven hem, voor Minerva hebben begiftigen hem met groot sterkte. _ niettemin Scamander niet ver*minderen in zijn achtervolging, maar nog meer woedend met de zoon van Peleus. _ hij op:heffen zijn water in een hoog kam en schreeuwen hardop aan Simois zeggen, „beste broer, laten de twee van ons verenigen te bewaren dit mens, of hij ont*slaan de machtig stad van koning Priam, en de Trojans niet stand:houden tegen hem. _ helpen me meteen; _ vullen uw stroom met water van hun bron, op:wekken alle uw bergstroom aan een woede; _ op:heffen uw golf op hoogte, en laten winkelhaak en steen komen donderen onderaan u dat wij kunnen maken een eind van dit primitief schepsel die nu lording het alsof hij een god. _ niets dienen hem lang, niet sterkte noch comeliness, noch zijn fijn pantser, dat forsooth spoedig liggen laag in de diep water be*handelen over met modder. _ IK ver*pakken hem in zand, en gieten ton van dakspaan om hem, zodat de Achaeans niet kennen hoe te verzamelen zijn been voor de slib waarin IK hebben ver*bergen hem, en wanneer zij vieren zijn begrafenis zij ver*eisen bouwstijl geen kruiwagen.“
_ op dit hij upraised zijn tumultuous vloed hoog tegen Achilles, kokend aangezien het met schuim en bloed en de bo&ies van de doden. _ de donker water van de rivier be*vinden rechtop en hebben overweldigen de zoon van Peleus, maar Juno, beven tenzij Achilles moeten vegen weg in de machtig bergstroom, op:heffen haar stem op hoogte en uit:roepen aan Vulcan haar zoon. _ „oplichter-voet,“ zij schreeuwen, „mijn kind, omhooggaand en doen, want IK achten het met u dat Xanthus fain te be*strijden; _ helpen ons meteen, ont*steken een woest brand; _ IK toen brengen omhoog de westen en de wit zuiden wind in een machtig orkaan van de overzees, dat dragen de vlam tegen de hoofd en pantser van de Trojans en verbruiken hen, terwijl u gaan langs de bank van Xanthus branden zijn boom en ver*pakken hem rond met brand. _ laten hem niet draaien u terug noch door eerlijk woord noch bevuilen, en ver*minderen niet tot IK schreeuwen en ver*tellen u. _ dan u kunnen blijven uw vlam.“
_ op dit Vulcan ont*steken een woest brand, dat uit:breken eerst op de vlakte en branden de veel doden die Achilles hebben doden en wiens lichaam liggen ongeveer in groot aantal; _ door dit be*tekenen de vlakte droog en de vloed blijven. _ als de noorden wind, blazen op een boomgaard dat hebben doorweekt met herfst regen, spoedig drogen het, en de hart van de eigenaar blij maar toch de geheel plan droog en de dood lijk verbruiken. _ dan hij draaien tong van brand op de rivier. _ hij branden de iep de wilg en de tamarisks, de lotusbloem ook, met de stormloop en marshy kruiden dat kweken overvloedig door de bank van de rivier. _ de paling en vis dat gaan werpen over overal in de water, deze, ook, sorely kwellen door de vlam dat sluw Vulcan hebben ont*steken, en de rivier zelf branden, zodat hij spreken zeggen, „Vulcan, daar geen god kunnen houden zijn tegen u. _ IK niet kunnen be*strijden u wanneer u flakkeren uit uw vlam op deze wijze; _ streven met me niet meer. _ laten Achilles aandrijving de Trojans uit stad onmiddellijk. _ wat hebben I te doen met ruzie maken en helpen mensen?“
_ hij koken aangezien hij spreken, en alle zijn water kokend. _ aangezien een ketel op 'een groot brand koken wanneer het smelten de reuzel van wat fatted varken, en de reuzel houden borrelen omhoog helemaal over wanneer de droog faggots op:vlammen onder het maar toch de goodly water van Xanthus ver*warmen met de brand tot zij koken. _ hij kunnen stromen niet meer maar blijven zijn stroom, zo treffen hij door de ontploffing van brand dat sluw Vulcan hebben op:heffen. _ dan hij bidden aan Juno en smeken haar zeggen, „Juno, waarom moeten uw zoon ergeren mijn stroom met dergelijk speciaal woede? _ IK niet zodat veel te beschuldigen als alle de andere wie hebben helpen de Trojans. _ IK ver*laten weg, aangezien u zo wensen het, en laten zoon ver*laten van ook. _ verder IK zweren nooit opnieuw IK doen om het even wat te bewaren de Trojans van vernietiging, niet zelfs wanneer alle Troy branden in de vlam dat de Achaeans ont*steken.“
_ zodra Juno horen dit zij zeggen aan haar zoon Vulcan, „zoon Vulcan, houden nu uw vlam; _ wij moeten niet te gebruiken dergelijk geweld tegen een god omwille van mortals.“
_ wanneer zij hebben zo spreken Vulcan doven zijn vlam, en de rivier terug:gaan weer eens in zijn eigen eerlijk bed.
_ Xanthus nu slaan, zodat deze twee links van be*strijden, voor Juno blijven hen hoewel zij nog boos; _ maar een woedend ruzie uit:breken onder de ander god, want zij van ver*delen advies. _ zij vallen elkaar met een machtig uproar- aarde kreunen, en de ruim firmament bellen uit zoals met een blare van trompet. _ Jove horen aangezien hij zitten op Olympus, en lachen voor vreugde wanneer hij zien de god komen aan slag onder zich. _ zij niet lang over begin, en Mars boor van schild openen de slag. _ zwaard ter beschikking hij op:springen meteen op Minerva en reviled haar. _ „waarom, vixen,“ zeggen hij, „hebben u opnieuw plaatsen de god door de oor in de trots en haughtiness van uw hart? _ hebben u vergeten hoe u plaatsen Diomed zoon van Tydeus ver*wonden me, en zelf nemen zichtbaar spear en drijven het in me aan de kwetsen van mijn eerlijk lichaam? _ u nu lijden voor wat u toen doen aan me.“
_ aangezien hij spreken hij slaan haar op de vreselijk tasselled aegis- zo vreselijk dat niet zelfs kunnen Jove bliksem door*dringen het. _ hier doen moordend Mars staking haar met zijn groot spear. _ zij trekken terug en met haar sterk hand grijpen een steen dat liggen op de duidelijk groot en ruw en zwarte dat mens van oud hebben plaatsen voor de grens van een gebied. _ met dit zij slaan Mars op de hals, en brengen hem neer. _ negen kruisbeeld hij be*handelen in zijn daling, en zijn haar allen bevuilen in de stof, terwijl zijn pantser bellen rammelen om hem. _ maar Minerva lachen en beroemd over hem zeggen, „idiot, hebben u niet leren hoe ver sterk IK dan u, maar u moeten nog aan:passen zich tegen me? _ dus doen uw moeder vloek nu zitstok op u, want zij boos en doen u ellende omdat u hebben ver*laten de Achaeans en helpen de Trojans.“
_ zij toen draaien haar twee door*dringen oog elders, waarop Jove dochter Venus nemen Mars door de hand en leiden hem weg kreunen de hele tijd, voor het slechts met groot moeilijkheid dat hij hebben komen aan zich opnieuw. _ wanneer koningin Juno zien haar, zij zeggen aan Minerva, „kijken, dochter van aegis-dragen Jove, unweariable, dat vixen Venus opnieuw nemen Mars door de menigte uit de slag; _ gaan na haar meteen.“
_ dus zij spreken. _ Minerva ver*zenden na Venus met a, en maken bij haar, slaan haar op de boezem met haar sterk hand zodat zij vallen verzwakken aan de grond, en daar zij allebei leggen uit:rekken bij volledig lengte. _ dan Minerva beroemd over haar zeggen, „mei allen die helpen de Trojans tegen de Argives be*wijzen enkel zo redoubtable en stevig zoals Venus doen wanneer zij komen over me terwijl zij helpen Mars. _ hebben dit zo, wij moeten sinds lang hebben beëindigen de oorlog door ont*slaan de sterk stad van Ilius.“
_ Juno glimlachen aangezien zij luisteren. _ ondertussen koning Neptunus draaien aan Apollo zeggen, „Phoebus, waarom moeten wij houden elkaar bij wapen lengte? _ het niet goed, nu de andere hebben beginnen be*strijden; _ het beschamend aan ons als wij terug:keren aan Jove brons-vloeren herenhuis op Olympus zonder hebben be*strijden elkaar; _ daarom komen, u de jong van de twee, en IK moeten niet te aan:vallen u, want IK oud en hebben hebben meer ervaring. _ idiot, u hebben geen betekenis, en vergeten hoe wij twee alleen van alle de god gaan nauwelijks rond Ilius wanneer wij komen van Jove huis en werken voor Laomedon een geheel jaar bij een ver*klaren loon en hij geven ons zijn orde. _ IK bouwen de Trojans de muur over hun stad, zo wijd en markt dat het kunnen impregnable, terwijl u, Phoebus, hoeden vee voor hem in de dales van velen valleyed Ida. _ wanneer, nochtans, de blij uur brengen om de tijd van betaling, machtig Laomedon roven ons van alle ons huur en ver*zenden ons weg met niets maar misbruik. _ hij dreigen te binden ons hand en voet en ver*kopen ons over in sommige ver eiland. _ hij proberen, bovendien, te af:snijden de oor van allebei van ons, zodat wij gaan weg in een woede, woedend over de betaling hij hebben be*loven ons, en toch in:houden; _ ondanks dit alles, u nu tonen gunst aan zijn mensen, en niet aan:sluiten ons in omringen de uiterst ruïne van de trots Trojans met hun vrouw en kind.“
_ en koning Apollo antwoorden, „Lord van de aardbeving, u hebben geen eerbied voor me als IK te be*strijden u over een pak van miserabel mortals, die komen uit als blad in zomer en eten de fruit van de gebied, en weldra vallen lifeless aan de grond. _ laten ons blijven dit be*strijden meteen en laten hen regelen het onder zich.“
_ hij draaien weg aangezien hij spreken, want hij leggen geen hand op de broer van zijn eigen vader. _ maar zijn zuster de huntress Diana, patroness van wild dier, zeer boos met hem en zeggen, „zodat u vliegen, ver-Darter, en hand overwinning over aan Neptunus met een goedkoop vaunt aan laars. _ baby, waarom houden uw boog zo nutteloos? _ nooit laten me opnieuw horen u op:scheppen in mijn vader huis, aangezien u hebben vaak doen in aanwezigheid van de immortals, dat u be*vinden omhoog en be*strijden met Neptunus.“
_ Apollo maken haar geen antwoord, maar Jove augustus koningin boos en ver*wijten haar bitter. _ „vette letters vixen,“ zij schreeuwen, „hoe durven u dwars me zo? _ voor alle uw boog u vinden het hard te houden uw tegen me. _ Jove maken u als een leeuw onder vrouw, en laten u doden hen wanneer u kiezen. _ u en het beter te achter*volgen wild dier en hert op de berg dan te be*strijden die die sterk dan u. _ als u proberen oorlog, doen zo, en vinden uit door kuiltjes maken zich tegen me, hoe ver sterk IK dan u.“
_ zij vangen beide Diana pols met haar linkerhand aangezien zij spreken, en met haar recht zij nemen de boog van haar schouder, en lachen aangezien zij slaan haar met het over de oor terwijl Diana wriggled en writhed onder haar slag. _ haar vlug pijl af:werpen op de grond, en zij vluchten huilen van onder Juno hand als een duif dat vliegen vóór een valk aan de splijten van sommige hol rots, wanneer het haar goed fortuin te ont*snappen. _ maar toch zij vliegen huilen weg, ver*laten haar boog en pijl achter haar.
_ dan de slayer van argus, gids en beschermer, zeggen aan Leto, „Leto, IK niet be*strijden u; _ het ziek te komen aan slag met om het even welk van Jove vrouw. _ daarom op:scheppen aangezien u onder de immortals dat u worsted me in eerlijk strijd.“
_ Leto toen verzamelen omhoog Diana boog en pijl dat hebben vallen ongeveer amid de whirling stof, en wanneer zij hebben hen zij maken alle haast na haar dochter. _ Diana hebben nu be*reiken Jove brons-vloeren herenhuis op Olympus, en zitten zich neer met veel scheur op de knie van haar vader, terwijl haar ambrozijnen raiment trillen allen over haar. _ de zoon van Saturnus trekken haar naar hem, en lachen aangenaam de tijdje beginnen te vragen haar zeggen, „dat van de hemels wezen, mijn beste kind, hebben be*handelen u in dit wreed manier, alsof u hebben slecht be*sturen zich in aanwezigheid van iedereen?“ _ en de eerlijk-be*kronen godin van de jacht antwoorden, „het uw vrouw Juno, vader, die hebben slaan me; _ het altijd haar doen wanneer daar om het even welk ruzie maken onder de immortals.“
_ dus zij converseren, en ondertussen Phoebus Apollo binnen:gaan de sterk stad van Ilius, want hij moeilijk tenzij de muur moeten niet stand:houden en de Danaans moeten nemen de stad toen en daar, vóór zijn uur hebben komen; _ maar de rest van de ooit-leven god terug:gaan, wat boos en wat zegevierend aan Olympus, waar zij nemen hun zetel naast Jove Lord van de onweer wolk, terwijl Achilles nog houden op be*handelen uit dood gelijk op de Trojans en op hun zoals wanneer de rook van sommige branden stad stijgen aan hemel wanneer de woede van de god hebben ont*steken het daar toen zware arbeid voor allen, en verdriet voor niet enkelen maar toch doen Achilles brengen zware arbeid en verdriet op de Trojans.
_ oud koning Priam be*vinden op een hoog toren van de muur kijken neer op reusachtig Achilles als de Trojans vluchten panisch vóór hem, en daar niets te helpen hen. _ weldra hij komen neer van van de toren en met veel een gekreun gaan langs de muur te geven orde aan de moedig warders van de poort. _ „houden de poort,“ zeggen hij, „wijd open tot de mensen komen vliegen in de stad, voor Achilles hard langs en drijven hen in rout vóór hem. _ IK zien wij in groot risico. _ zodra ons mensen binnen en in veiligheid, sluiten de sterk poort voor IK vrezen tenzij dat vreselijk mens moeten komen bounding binnen samen met de andere.“
_ aangezien hij spreken zij trekken terug de bout en openen de poort, en wanneer deze openen daar een toevluchtsoord van toevluchtsoord voor de Trojans. _ Apollo toen komen volledig snelheid uit de stad te ontmoeten hen en be*schermen hen. _ recht voor de stad en de hoog muur, uit:drogen met dorst en grimy met stof, nog zij fied, met Achilles hanteren zijn spear woedend achter hen. _ want hij als één be*zitten, en thirsting na glorie.
_ dan hebben de zoon van de Achaeans nemen de lofty poort van Troy als Apollo hebben niet aan:sporen op Agenor, moedig en edel zoon aan Antenor. _ hij zetten moed in zijn hart, en be*vinden door zijn kant te be*waken hem, leunen tegen een beuk boom en hullen in dik duisternis. _ wanneer Agenor zien Achilles hij be*vinden nog en zijn hart be*trekken met zorg. _ „helaas,“ zeggen hij aan zich in zijn wanhoop, „als IK vliegen vóór machtig Achilles, en gaan waar alle de andere drijven in rout, hij niettemin vangen me en doden me voor een lafaard. _ hoe het I te laten Achilles aandrijving de andere vóór hem, en toen vliegen van de muur aan de vlakte dat achter Ilius tot IK be*reiken de aansporing van Ida en kunnen ver*bergen in de underwood dat daarop? _ IK kunnen toen wassen de zweet van van me in de rivier en in de avond terugkeer aan Ilius. _ maar waarom commune met mij op deze wijze? _ als genoeg hij zien me aangezien IK ver*haasten van de stad over de vlakte, en ver*zenden na me tot hij hebben vangen me IK moeten be*vinden geen kans tegen hem, want hij machtig van alle mensheid. _ wat, toen, als IK uit:gaan en ontmoeten hem voor de stad? _ zijn vlees ook, IK nemen het, kunnen door*dringen door richten brons. _ leven de zelfde in één en allen, en mens zeggen dat hij maar dodelijk ondanks de triomf dat Jove zoon van Saturnus vouchsafes hem.“
_ zo zeggen hij be*vinden op zijn wacht en wachten Achilles, want hij nu fain te be*strijden hem. _ als een leopardess dat grens van uit een dik dekking te aan:vallen een jager zij kennen geen vrees en niet met wanhoop ver*vullen door de blaffen van de hond; _ alhoewel de mens ook snel voor haar en ver*wonden haar of met duw of spear, nog, hoewel de spear hebben door*dringen haar zij niet geven binnen tot zij hebben of vangen hem in haar greep of doden helemaal maar toch doen edel Agenor zoon van Antenor weigeren te vliegen tot hij hebben maken proef van Achilles, en nemen doel bij hem met zijn spear, houden zijn rond schild vóór hem en schreeuwen met een luid stem. _ „van een waarheid,“ zeggen hij, „edel Achilles, u achten dat u dit dag zak de stad van de trots Trojans. _ dwaas, daar probleem genoeg nog vóór het, voor daar veel een moedig mens van ons nog binnenkant die be*vinden voor ons beste ouder met ons vrouw en kind, te verdedigen Ilius. _ hier daarom, reusachtig en machtig strijder hoewel u, hier u in:lassen.
_ aangezien hij spreken zijn sterk hand slingeren zijn javelin van hem, en de spear slaan Achilles op de been onder de knie; _ de kaantje van onlangs vervaardigd tin bellen luid, maar de spear terug:deinzen van de lichaam van hem die het hebben slaan, en niet door*dringen het, voor de god gift blijven het. _ Achilles in zijn draai aan:vallen edel Agenor, maar Apollo niet vouchsafe hem glorie, want hij weg:rukken Agenor weg en ver*bergen hem in een dik mist, ver*zenden hem uit de slag intact toen hij craftily trekken de zoon van Peleus vanaf gaan na de gastheer, want hij zetten op de schijn van Agenor en be*vinden voor Achilles, die in werking stellen naar hem te geven hem jacht en achter*volgen hem over de graan land van de duidelijk, draaien hem naar de diep water van de rivier Scamander. _ Apollo in werking stellen maar wat manier vóór hem en beguiled Achilles door maken hem denken de hele tijd dat hij op de punt van over*vallen hem. _ ondertussen de rabble van leiden Trojans dankbaar te over*bevolken binnen de stad tot hun aantal thronged het; _ niet meer zij durven wachten voor elkaar buiten de stad muur, te leren wie hebben ont*snappen en wie vallen in strijd, maar allen wiens voet en knie kunnen nog dragen hen gieten pell-mell in de stad.
_ | _ boek XX _ | _ Homerus _ | _ boek XXII _ |